Kijk de waterpolofinale van Nederland aan de hand van deze 10 regels

Om 21.00 uur spelen de Nederlandse waterpolovrouwen de finale van het WK tegen de Verenigde Staten. Weet je weinig van waterpolo, maar wil je het vanavond toch goed kunnen volgen? Pak dan deze tien spelregels erbij.

Doelvrouw Laura Aarts tijdens de training van het Nederlandse waterpoloteam voor de finale van vanavond. Foto ANP / Robin van Lonkhuijsen

Om 21.00 uur spelen de Nederlandse waterpolovrouwen de finale van het WK tegen de Verenigde Staten. Het treffen komt zeven jaar nadat beide landen elkaar tegenkwamen in de olympische finale van Peking (2008, Nederland won). Weet je weinig van waterpolo, maar wil je het vanavond toch goed kunnen volgen? Pak dan deze tien spelregels erbij.

  • Een wedstrijd bestaat uit vier perioden van elk acht minuten. De klok loopt alleen als de bal in het spel is. Bij een spelonderbreking moet de tijdopnemer naast het bad op een knopje drukken om de tijd stop te zetten. Tussen iedere periode is een pauze van twee minuten, halverwege duurt die vijf minuten.
  • Elke ploeg speelt met zeven zwemmers, van wie er eentje de keeper is. Je kan de ploegen het makkelijkst uit elkaar houden door op de kleuren van de mutsen te letten. Uitzondering daarop zijn de keepers: die moeten allebei een rode muts op. Wie zijn muts verliest, zet die weer op bij de eerstvolgende spelonderbreking.
  • Er mag voortdurend gewisseld worden. Dan moet een zwemmer onder een lijn door duiken om het terugkomvak in te zwemmen. Is hij weer boven, dan mag de vervanger het speelveld in.
  • Als een coach ‘time-out’ roept en met zijn armen een T maakt, komt er een time-out van een minuut. Iedere ploeg mag die een keer per periode aanvragen.
  • De spelers mogen met elk lichaamsdeel een doelpunt maken, vanaf elke plaats binnen het speelveld. Alleen scoren met een gebalde vuist mag niet. En de keeper moet wel op zijn eigen helft blijven.
Foto ANP / Robin van Lonkhuijsen

Foto ANP / Robin van Lonkhuijsen

  • De spelers mogen geen voorwerpen dragen die letsel kunnen veroorzaken. Spelers mogen ook geen vet of olie op het lichaam hebben. Hebben ze dat wel, dan moeten ze dat er afhalen terwijl de wedstrijd al begint.
  • De tegenstander krijgt een vrije worp als je je vasthoudt aan de doelpalen. Of als je de bal onder water duwt, de bal stompt met een gebalde vuist, of als je je afzet van een tegenstander die de bal niet heeft.
  • Een speler moet 20 seconden naar de kant als hij een zwaardere fout maakt. Bijvoorbeeld het met twee handen vasthouden van een speler die de bal niet heeft. Wie opzettelijk trapt of slaat, moet ook naar de kant. Water spatten in het gezicht van de tegenstander is verboden, maar wordt niet vaak bestraft. Bij het verplaatsen of omlaag trekken van het doel krijgt de tegenstander een strafworp.
  • Een speler die een ernstige overtreding begaat moet de zaal uit. Voor een achterwaartse elleboogstoot bijvoorbeeld. Wie opzettelijk met zijn hoofd achteruit slaat in het gezicht van een tegenstander, hoeft ook niet meer terug te komen.
  • Is er aan het eind van de wedstrijd geen winnaar, dan komen er strafworpen.