Column

Hoe Nederlanders zich laven aan die lanterfantende Italianen

In Italië, waar hij woont, ziet Ilja Leonard Pfeijffer nu veel Nederlanders. Soms zou hij ze wel willen slaan: als ze meewarig hun hoofd schudden, geamuseerd door de inefficiëntie in het Zuiden.

Het is augustus en ik zie ze rondlopen in Italië, waar ik woon, de Nederlandse toeristen, die al van verre herkenbaar zijn aan hun comfortabele loopschoenen, hun montere humeur, hun verwende, dreinende kroost dat ze conform de superieure Hollandse overlegcultuur hebben opgevoed en hun reisgidsen van Italië met twee puntjes op de laatste letter van het woord Italië. Ze zijn mij dierbaar, mijn landgenoten in het buitenland, vanwege hun kinderlijke dapperheid en hun rotsvaste voornemen om er iets van te maken, van de vakantie, en om alles volgens plan te laten verlopen. En al hebben velen nog veel te leren, kan ik soms trots op hen zijn als ik zie hoe zij zich daadwerkelijk inspannen om zich te ontspannen en met hun melkwitte blote benen zo groot als reflecterende brugpijlers over elkaar gevouwen op hun stoeltje aan hun tafeltje op het gezellige terras op het leuke pleintje heel even heel hard niet aan hun werk zitten te denken.

Het voornaamste dat de Nederlanders in het buitenland moeten afleren, is hun hoofd te schudden. Wat ik soms echt van hun smoelen wil slaan, is die milde meewarige blik waarmee zij het land waar zij te gast zijn in ogenschouw nemen en zich, geamuseerd door de inefficiëntie die zij menen te ontwaren, gelukkig prijzen dat zij wonen in het beste land ter wereld. Die verweerde eeuwenoude palazzi hadden zij al lang een decent likje verf gegeven. Van die vijf man die elke ochtend trots hun pak aantrekken en hun koperen badge opspelden om naar hun werk te gaan in de Tourist Office, hadden zij er al lang vierenhalf ontslagen. En de espresso komt wel in heel kleine kopjes met een heel klein laagje koffie, terwijl dat toch gewoon een kwestie is van meer water opgieten.

Het is de Brusselse blik van de neoliberale technocraten uit Noord-Europa die telkens meewarig hoofdschuddend moeten vaststellen dat het luie Zuiden er weer met zijn pet naar gooit en lanterfantend loopt te genieten tussen al die eeuwenoude kunst en cultuur met twee warme maaltijden per dag. Dat leeft er maar ontspannen en gelukkig op los in plaats van zich, zoals het hoort, met een chagrijnige bek de ochtendspits in te wurmen en de beste jaren van hun leven te vergooien om zich af te peigeren in dienst van het Bruto Nationaal Product.

Het is augustus en ik zie ze om mij heen in Italië, mijn landgenoten, die niet voor niets hebben afgezien van een vakantie in eigen land en zich drie weken proberen te laven aan de inefficiëntie van een land waar de mensen weten hoe ze moeten leven. Ik wens ze toe dat ze echt iets leren. Ik wens Europa toe dat het Noorden durft te leren van het Zuiden.