Het kwaad in de stad, en een idylle in het bos

Twee in Canada gelauwerde boeken tonen de twee uitersten als het om Franstalige Canadese literatuur gaat: de tragedie die zich in de bossen afspeelt versus het multiculturele karakter van een wereldstad.

Literatuur uit het Franstalige deel van Canada heeft vaak twee gezichten: het ene is geworteld in de natuur en in de geschiedenis, het andere kijkt ver over de grenzen van Quebec. Het ene volgt het literaire voorbeeld van de literaire oermoeder Anne Hébert, die schreef over tragedies in grote families woonachtig in diepe bossen, die het grootste deel van het jaar onder een dikke laag sneeuw zijn bedekt. Het andere geeft invulling aan het multiculturele karakter van een wereldstad als Montreal, waar bijvoorbeeld de onlangs door Frankrijk gelauwerde, op Haïti geboren auteur Dany Laferrière zijn toevlucht zocht.

Precies die twee gezichten zijn terug te vinden in twee bijzondere romans, geschreven in het Franstalige deel van Canada. De ene auteur, Jocelyne Saucier, komt uit Nouveau Brunswick, het uiterste oosten van Quebec. De ander, Larry Tremblay, werd geboren in Chicoutimi, een stad net aan de andere kant van de rivier de Saint-Laurent, ten noorden van de stad Quebec. De eerste schreef een mooi verhaal over vrijheid, de dood en terugkeer naar de onschuld, de tweede een beladen oorlogsfabel. Beiden werden in Quebec met literaire prijzen overladen.

Saucier schreef haar vierde roman over hoogbejaarde mannen en vrouwen die zich terugtrekken in het ondoordringbare woud van Canada. Ze willen hun vrijheid terug, om te leven, en vooral te sterven zoals ze dat zelf willen. Ver van de verzorgingstehuizen, ver van de administratieve bedilzucht. Liever een zelf getimmerde, afgelegen, bouwvallige hut en slapen op een bed van pelzen dan een opgedrongen ritme van gemeenschappelijke maaltijden in een senior home. Liever onzichtbaar in het bos, dan goed geregistreerd in de bewoonde wereld. Liever gewoon ‘doodgaan aan je dood’ dan aan wat anders.

De enige die inbreuk mag maken op de zelfgekozen privacy van de kleine kluizenaarsgemeenschap is een fotografe die op zoek is naar een man die in de volksmond Boychuck wordt genoemd. Zo heet volgens de lokale overlevering een van de laatste overlevenden van de Great Fires, de vuurzee die aan het begin van de vorige eeuw een aantal dorpjes in de as legde. Zijn her en der opduikende gestalte leeft voort in de collectieve herinnering. Het waren gruwelijke dagen van vuur waarin ‘de hemel schuil ging achter een koepel van zwarte rook’ en het ‘vogels regende’.

De fotografe is op zoek naar de levensverhalen van de bejaarden die ze opspoort. Van de mensen die ze in het woud ontmoet is de een goudsmokkelaar, de ander natuurminnaar, schilder, de volgende zat onterecht opgesloten in een psychiatrisch ziekenhuis. Allemaal zijn ze eenlingen die hun dood in eigen hand willen houden, ‘de dood, daar gaan wij zelf over’.

Dat besef geeft ze een nieuw leven, waarin liefde opbloeit en vriendschappen ontstaan. Geheimen komen aan het licht: de 367 schilderijen bijvoorbeeld, die Boychuck maakte en die hij nooit aan iemand toonde. Ze verbeelden de vuurzee, de sleutel tot zijn persoonlijke tragedie.

Tremblays boek heeft eenzelfde kern van verzwegen drama en is toch onvergelijkbaar. De plot van De naam van mijn broer speelt zich af op een plek die nergens wordt aangeduid. Het kan Irak zijn, of Syrië, elk willekeurig land waar oorlog eerder regelmaat dan uitzondering is. De tragedie begint als op het huis van twee oude mensen, middenin een sinaasappelboomgaard, een bom valt. De zoon begraaft zijn ouders, daarbij geholpen door zijn vrouw en zijn tweelingzonen. Dan komt er bezoek, een religieuze strijder roept hem op wraak te nemen: een van zijn zonen moet een zelfmoordaanval uitvoeren op het dorp aan de andere kant van de berg. Daar huist het kwaad. Maar wie van de tweelingbroers moet gaan?

Het is een duivels dilemma, sec en onthecht opgeschreven. Een van de twee overleeft, de ander vertrekt definitief naar een ander continent en probeert een nieuw leven op te bouwen.

En passant voert Tremblay, die dramaturg is, ook zijn eigen beroep op. De broer die overleefde wordt gekweld door tientallen stemmen die ronddazen in zijn hoofd, ze zoeken een weg naar buiten, willen werkelijk bestaan. De jongen wordt acteur en kan zo uiting geven aan ‘de kleine stad’ van wanhopige stemmen die hij met zich meedraagt. Zo brengen deze zo verschillende boeken uit Franstalig Canada beide een hommage aan de kunsten.