Even voor de duidelijkheid: dit is géén roeiverenging

Deze zomer bezoekt nrc.next iedere week een club in Nederland. Deze keer: peddelen, peddelen, peddelen met de Eerste Hollandse Drakenboot Club.

Foto Lars van den Brink Foto Lars van den Brink

Vroeger, en dan hebben we het over twintig jaar geleden, waren ze nog Nederlands kampioen. Inmiddels ligt de nationale competitie op z’n gat, is het aantal teams op twee handen te tellen en mogen de leden van de Eerste Hollandse Drakenboot Club zich ‘grand dragon’ noemen – naar de hoogste leeftijdscategorie.

Nee, drakenbootvaren is niet meer zo populair als het ooit was, zegt Henno Eggenkamp (71) in het clubhuis aan de Gaasperplas in Amsterdam-Zuidoost. „Wil je trouwens meevaren? Hier, ik heb nog wel een peddel.”

Een, twee, drie, vier, vijf.

Een, twee, drie, vier, tien.

Een, twee, drie, vier, vijftien.

Een, twee, drie, vier, twintig.

Tellen doe je in een drakenboot net iets anders dan normaal. Het is misschien wel het allerbelangrijkste bij het drakenbootvaren: als er niet goed geteld wordt, wordt er niet synchroon gepeddeld. En als er niet synchroon gepeddeld wordt, dan gaat het mis.

Zoals nu.

„Jongens, attention!” klinkt het geïrriteerd na tien minuten op het water. „Ongelijke bende!” Maar Jantjé Tetelepta (65) heeft iets gezien. Hij wijst. Daar, een zwarte badmuts. „Een zwemmer, kijk uit!” Achter hem mompelt Bob Nanlohy (61) dat de zwemmer zelf maar moet uitkijken. Maar zwemmers kijken niet uit, weet Jantjé, die zitten de hele tijd met hun kop in het water.

Stuurman Lex Haan (54) kondigt de volgende oefening aan. Twintig slagen rustig, twintig volle kracht, en dan weer twintig rustig. „Are you ready?” De Eerste Hollandse Drakenboot Club traint voor de regatta die ze zelf organiseren, volgende maand in het Amsterdamse Bos. Er zullen afstanden worden gevaren van 200, 500 en 2.000 meter. De 200 meter is volgens Lex hun sterkste punt. „De 500 is al te lang voor ons, dat houden we niet vol.”

Tijdens officiële wedstrijden worden de polyester boten uitgerust met een drakenkop en -staart. Voorop zit dan ook een trommelaar, bij voorkeur een licht persoon met een beetje gevoel voor ritme. De peddelaars zitten twee aan twee. Het eerste bankje bepaalt het tempo, dat de trommelaar overneemt. Eén slag voor in het water, één slag voor erboven.

Vergelijk het drakenbootvaren niet met roeien, zeggen Lex en Bob, want dat is toch echt anders. Om te beginnen de houding: bij roeien kijk je naar achteren, in een drakenboot naar voren. De peddels zijn kleiner en de slagen groter. En bovendien zitten de riemen in een drakenboot niet vast. Je hebt één peddel, die je schuin voor je uit in het water steekt. Bob doet het even voor. „Kijk, je buigt eerst helemaal voorover. Vervolgens trek je de peddel zo krachtig en snel mogelijk naar je toe, terwijl je weer rechtop gaat zitten. En ondertussen: kracht zetten met je schouders, je rug en je benen. Het zijn niet alleen je armen die het werk doen.”

Na twee rondjes over de plas vinden de meeste peddelaars het mooi geweest. Als de boten met behulp van een ingenieus ophangsysteem weer netjes zijn opgeborgen in de loods is het tijd voor koffie, wijn en aardbeientaart.

In het clubhuis hangen foto’s van regatta’s van over de hele wereld. De Filippijnen zijn verreweg het snelst, zegt Jantjé, die leggen de 200 meter in 40 seconden af. Hij laat een filmpje op zijn telefoon zien. „Wij maken 75 slagen op die afstand, zij doen er 104. 104! Maar dat zijn allemaal beroepsmilitairen hoor. Die trainen tien uur per dag.”

Christopher Kokhuis (61) vindt het geen eerlijke vergelijking: „In Azië zijn veel meer mensen die drakenbootracen. Daar kunnen ze kiezen uit tienduizenden mensen.”

Jantjé, sip: „Terwijl wij al blij zijn als onze boot vol zit.”

Toch zouden ze hun sport niet willen missen. Henno: „Het moment waarop je merkt dat iedereen als één man peddelt, dat vind ik zo mooi. Alsof het een soort gekke machine wordt”. En nog een voordeel: Mannen en vrouwen zitten gemixt. „Het is eigenlijk een soort korfbal op het water.”