De schilder als ondernemer

Schilderkunst in de Gouden Eeuw? Dan denken we aan Rembrandt, maar niet aan schilders die de boer op moesten, hun stijl aanpasten of in de Oost hun geluk beproefden.

Foto uit ‘Confronting the Golden Age’

De namen Rombout van Troyen, Johannes Voorhout of Hans Creupelbeen zullen niet elk kunsthart sneller doen kloppen. Toch waren dit goed opgeleide, hardwerkende schilders in de Gouden Eeuw. Zij werkten in dezelfde stad met verwante thema’s als de ware sterren uit die tijd, met Rembrandt als ongekroonde koning.

De drie genoemde schilders behoorden tot de ongeveer 100 tot 175 schilders die alleen al in de periode 1630-1650 in Amsterdam actief waren. Omstreeks 1660 zouden dat er iets meer dan 200 zijn. In de Hollandse steden waren het er toen ruim 500, en gerekend over die hele eeuw, was het een veelvoud daarvan. Samen waren ze goed voor vele duizenden schilderijen. Hoe het zat met de artistieke en economische wedijver tussen schilders op de Amsterdamse kunstmarkt werd onderzocht aan de Universiteit van Amsterdam.

Rembrandt’s Rivals van emeritus hoogleraar kunstgeschiedenis Eric Jan Sluijter voegt, mede steunend op dat onderzoek, een specifiek inzicht toe in die vruchtbare, creatieve periode van de Nederlandse geschiedenis. Het richt zich op historieschilders, op vaklieden die als specialisme hadden de verbeelding van verhalen uit de klassieke oudheid, de mythologie, het Oude en Nieuwe Testament en van gebeurtenissen uit de meer recente geschiedenis.

Sluijter behandelt in zijn rijke, interessante en meer dan 600 illustraties bevattende boek zo’n dertig schilders. Hij brengt daarbij een ordening aan met de faam van die schilders als criterium, aflopend van Rembrandt tot aan bijna vergeten krabbelaars aan de onderkant van de markt. Van allemaal behandelt hij het door hen ontwikkelde specialisme en hun strategie om op te kunnen boksen tegen hun collega’s.

Rendementsdenken

Sluijter neemt in het begin al een interessante positie in door te stellen dat de begrippen ‘invloed’ en ‘inspiratie’ overboord kunnen. Die termen suggereren een passieve verwerking van oudere thema’s en composities, terwijl het in zijn ogen om bewuste keuzes ging. Schilderen was een vak, een ambacht met producten, met een markt en vooral: met verkoopstrategieën. Sluijter benadert de schilderkunst dan ook vanuit een pragmatisch standpunt. Het is eerder de wereld van het rendementsdenken, van targets, opportunities en niches in de markt. Deze benadering levert een verfrissende kijk op dat kunstleven op.

Rembrandt was een uitzondering omdat hij zijn fabelachtige talent al in zijn jonge jaren etaleerde, en wel met onmiddellijk succes. Mooi laat Sluijter zien hoe Rembrandt zijn koers uitzette, overtuigd van zijn eigen kunnen. Hij wilde de beroemdste schilders overtreffen en zich al jong hebben voorgenomen de Apelles aan de Amstel te worden.

Tientallen schilders die hun opleiding elders hadden afgemaakt kwamen in dezelfde periode als Rembrandt naar de Amstelstad, werden lid van het Lucasgilde en moesten vervolgens concurreren. Een schilder wordt vaak gestimuleerd ‘door eenich tegenstrever (concurrent) in de konst’, aldus Samuel van Hoogstraten. Hij kon zich specialiseren in uiteenlopende genres als landschap, portret, stilleven, marines en in historiestukken. Sluijters boek gaat erover hoe men zich weer kon specialiseren binnen dat laatste genre. Men kon zich onderscheiden door de schilderstijl, onderwerpkeuze, formaat en kwaliteit en ook door het prijskaartje.

Zo profileerde Claes Cornelisz Moyaert zich met zijn bijbelse en mythologische scènes door er volop schapen, geiten of een ezel in te verwerken. Rombout van Troyen ontdekte dat er liefhebbers waren voor zijn spookachtige verbeeldingen van fantastische grot-achtige bouwsels. Daar, tussen de klamme wanden en fantasie-altaren, speelden zich, onheilspellend belicht door flambouwen geheimzinnige taferelen af. Goed geschilderd waren ze niet, maar ze kostten weinig en Van Troyen had er succes mee.

Het ging dus om het concrete product zelf, maar ook om hoe je dat product aan de man bracht. Schilders moesten aan marketing doen, contacten onderhouden, bezoekers ontvangen, verzamelaars vleien en rondbazuinen dat ze vreselijk bijzonder waren. Een schilder deed er goed aan, schrijft Samuel van Hoogstraten, reclame te laten maken via kennissen en liefhebbers ‘die hem luidruchtig opschreeuwen’. Je werk in prent laten zetten hielp ook.

Rembrandt was zo overtuigd van zijn talent dat hij zich met zijn hoge financiële eisen en weinig diplomatie overschreeuwde. Iemand als Govert Flinck daarentegen wist hoe je je bij de hoge heren moest gedragen: hoffelijk zijn, buigen als een knipmes en met twee woorden spreken. Wie het niet redde moest maar een ander vak kiezen of zijn geluk elders beproeven. Een kans lag dan misschien nog in een van de overzeese vestigingen van de VOC of de WIC.

In de bundel Mediating... is daar een hele bijdrage aan gewijd. Marten Jan Bok laat zien dat er in die 17de eeuw tientallen schilders hun geluk beproefden in de Oost. Onder hen waren beroepsschilders, maar ook mensen die zich pas ter plekke ontpopten tot tekenaars of cartografen. Hun namen zijn nauwelijks bekend, het merendeel van hun werk is verloren gegaan door het klimaat, termieten of onverschilligheid.

In de laatste decennia van de 17de eeuw nam het aantal schilders in Holland af. De markt was verzadigd, iedereen had inmiddels wel schilderijen aan de muur. Daar kwam nog bij dat een nieuwe interieurmode zich meer ging richten op geschilderd behang. In Amsterdam slonk hun aantal in 1700 tot ongeveer honderd schilders. Doorgaans wordt de periode die toen al was ingezet gekenschetst als een van artistiek verval. De afgelopen jaren zijn er enkele tentoonstellingen georganiseerd die dat beeld nuanceren en de toen actieve schilders rehabiliteerden. In die herwaardering moet ook het boek van de Japanse kunsthistorica Junko Aono worden gezien.

Smetteloze huid

Aono richt zich op specialisten binnen een specialisme, op ‘genreschilders’ en in het bijzonder daarin de fijnschilders. Dat waren schilders van alledaagse taferelen, van binnenkamerscènes van een vrouw met een papegaai of een luit, van keukenmeiden aan de afwas, van een aanminnig paar bij kaarslicht, en dat alles geschilderd op minutieuze wijze. Dit type schilders, met als oervader Gerard Dou en met Frans van Mieris als goede tweede, had zich in Leiden ontwikkeld en was immens populair geweest. De nieuwe generatie schilders, van wie Willem van Mieris (zoon van Frans) de bekendste is, wilde deze traditie voortzetten. Maar hoe deden ze dat zonder slaafs na te volgen? Dat is de vraag die Aono in dit boek beantwoordt.

Er bestond een beperkte groep van liefhebbers en het was de kunst hen tot aankoop te verleiden. Soms stelden die verzamelaars zich tevreden met kopieën van oudere meesters. Soms bestelden ze een pendant van een 17de-eeuws schilderij dat ze al bezaten. Interessanter was het wanneer schilders variaties maakten op oudere motieven en composities.

Ook konden ze kiezen voor het ‘classicistisch veredelen’ van oudere voorstellingen. Dat wil zeggen dat ze nog altijd voorstellingen uit dat alledaagse leven namen, maar dat ze de personages weergaven op een geïdealiseerde, aan antieke voorbeelden ontleende wijze. Deden de 17de-eeuwse meesters nog hun best om hun personages ‘naar de natuur’ te schilderen, de nieuwe generatie streefde de weergave na van personages in sierlijke houdingen met ideaal geproportioneerde lichamen en een smetteloze huid. We zien dan marktvrouwen en viswijven, straatmuzikanten en garnalenverkopers in uiterst bevallige poses. In moderne ogen komt dat gekunstelder en theatraler over dan de 17de-eeuwse voorbeelden.

Wat we hier zien, merkt Aono op, is het omgekeerde van wat Rembrandt een eeuw eerder deed. Hij schilderde verheven voorstellingen uit de mythologie of de bijbel waarbij hij gewone straattypes met al hun rimpels en oneffenheden als model had gekozen. Willem van Mieris schilderde viswijven alsof ze Venus zelf waren.