Dan moet Du Perron wachten tot op de boot naar IJmuiden

Dat was schrikken, toen ik bij het kiezen van boeken voor deze rubriek een echte nalatigheid aantrof: de sinds 1989 geheel ongekreukte witte rug van Het land van herkomst. Gelukkig viel Du Perron in de zomervakantie. Eenmaal op reis bleek er een muur tussen mij en het boek te staan. Want ik had met de koffer al in de hand nog Modiano’s De straat van de donkere winkels meegepikt. En ik moest nog een dikke roman recenseren. Pas na tien dagen, ver weg in het Noord-Engelse Alnwick, waren die boeken uit en las ik de mooie beginmeditaties van Arthur Ducroo in het Parijs van 1933: ‘De krant boeide mij, als gewoonlijk, alleen door een zacht prikkelen van een soort gestolde ergernis: iets veel oppervlakkigers toch dan de de grondige angst die de bourgeois zou moeten voelen in deze tijd.’

Niets stond een vlotte lezing nog in de weg. Toch? Wist u dat in het oude station van Alnwick Barter’s books is gevestigd, een van de grootste tweedehands boekhandels van Noord-Engeland? Waar een rammelend modeltreintje rondrijdt boven de boekenkasten, zodat het klinkt alsof het altijd regent (ook als het niet regent). Uren later stond ik buiten met Room van Emma Donahugue. Een pageturner, ook dat nog. En omdat in de cottage een oude autobiografie van de prachtvoetballer Glenn Hoddle lag, schoof Het land van herkomst op naar de ferry Newcastle-IJmuiden.

Buitengaats moest ik aan Adriaan van Dis denken, bij de scène waarin Ducroo zijn moeder ervan beschuldigt een toeval te simuleren. Dan gedoe over de erfenis, over huizen en advocaten. Pff. Schuilt er in deze culturele grootheid eigenlijk een mokkend ventje? Bij de opsomming van de Indische spookervaringen van Ducroo begint te dagen hoe ernstig Du Perron probeert zich rekenschap te geven van zichzelf. En van zijn tijd, want steeds draait de handeling van het persoonlijke verleden naar her heden van het Parijs van 1933, waar de angstaanjagende berichten uit het naburige oosten de stad destabiliseren. Binnen een paar minuten kunnen de Duitse vliegtuigen boven de stad hangen, schrijft hij ergens.

Het relaas over de zelfmoord van de vader van Ducroo is schitterend in de (inmiddels ondenkbare) pogingen van Du Perron om onsentimenteel te schrijven. Hij benoemt het recht van zijn vader om een einde aan zijn leven te maken. En hij noteert in een bijzin dat hij er twee jaar depressief van is geweest – dat zijn vader een vervelende man was, weten we dan al. Met diepe liefde schrijft hij over zijn vrienden, tot alles in elkaar grijpt aan het eind, uit een brief aan Ter Braak, ‘dat jij en ik te goed zijn om te eindigen onder de hakken van onverschillig welk sociaal beest met laarzen’. De rest is geschiedenis.