Advocaat afluisteren? Ja, míts

Mag de overheid de advocaat van een vermoedelijke terrorist afluisteren? Wie de rechtsstaat een warm hart toedraagt, zegt daarop intuïtief nee. De advocaat heeft een vertrouwensfunctie en een wettelijk gegarandeerd verschoningsrecht. En staat onder (beroepsethisch) toezicht van vakgenoten. Dat moet volstaan.

Bij de checks and balances in de rechtsstaat is een advocaat die geheimen van zijn cliënt mag bewaren, essentieel. Dat hoort in een rechtsstaat, waar niemand veroordeeld is tot er wettig en overtuigend bewijs is geleverd. Dat geldt dus ook burgers op wie zeer ernstige verdenkingen rusten. Het past bij een eerlijk proces en het is mede wat een rechtsstaat onderscheidt van een politiestaat.

Dat de rechter dus onlangs een advocatenkantoor dat ontdekte regelmatig te zijn afgeluisterd door de inlichtingendienst overtuigend gelijk gaf, past daar helemaal bij. De rechter erkende dat alleen in hoogst uitzonderlijke gevallen er wel afgeluisterd mag worden.

Ook de advocatuur is daar trouwens niet tegen; met sommige geheimen mag je niet opgezadeld worden. Er kunnen nu eenmaal belangen van nationale veiligheid zijn die het afluisteren van een ‘geheimhouder’ incidenteel toelaatbaar maken. Mits daar zeer zware waarborgen bij gelden. De discussie verplaatst zich dan naar de vraag wie dat mag beoordelen, welke maatstaven er gelden en wat er met die afgeluisterde informatie mag gebeuren.

Het kabinet verdedigt een laakbaar standpunt. Minister Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) meent dat toestemming voor de AIVD door hemzelf, of voor de MIVD door zijn collega van Defensie, volstaat. Controle door de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) achteráf zou ook volstaan.

Sinds we dankzij NSA-klokkenluider Edward Snowden hebben ondervonden in welke omvang inlichtingendiensten privédata plegen af te luisteren, is dat dus te weinig. De tijd van goed vertrouwen is voorbij. Controle vooraf dus. En ook de bevoegdheid om in te grijpen. Ook de Nederlandse rechter eist dat nu. De wetgever werd verordonneerd dat binnen zes maanden te regelen.

Inhoudelijk legt Plasterk zich daar nu bij neer. Die onafhankelijke waarborg van tevoren komt er, te zijner tijd. Maar de minister is ook kribbig – hij wil van de rechter geen opdrachten krijgen welke wetten er moeten worden gemaakt. En dus komt er een spoedappel. Dat is juridisch interessant, maar tegelijk helaas ook een voorwendsel om die onafhankelijke controle niet prompt te organiseren. Dat kan natuurlijk bij de CTIVD of desnoods bij de Nationale ombudsman. Hopelijk kan de Tweede Kamer Plasterk tot de orde roepen en voor een pragmatische oplossing zorgen.