Uit de lichamen stegen ’s nachts fosforiserende vlammen op

De Japanse legerfotograaf Yosuke Yamahata was veertien uur na de Amerikaanse atoombom op Nagasaki al ter plekke. Kalm en geconcentreerd, zonder speciale emotie en zelfs zonder mededogen begon hij te fotograferen. Later schrok hij van zijn eigen afstandelijkheid.

Legerfotograaf Yosuke Yamahata maakte de foto’s op deze twee pagina’s de dag nadat de bom viel op Nagasaki. Afbeelding hierboven: omslag vanNagasaki Journey uit 1995, waarin de foto’s zijn gebundeld.

Wat de inwoners van Hiroshima en Nagasaki precies overkwam toen ze in augustus 1945 door Amerikaanse atoombommen werden getroffen, heeft het Amerikaanse publiek pas in 1952 voor het eerst kunnen zien. Tot die tijd had het zich moeten behelpen met een paar nietszeggende panoramafoto’s van de verwoeste steden en met die intrigerende opnames van paddestoelachtige wolken die boven de gewone bewolking uitstegen.

De details onder die wolken vond de Amerikaanse overheid niet geschikt voor wijde verspreiding, in de eerste plaats niet binnen Japan zelf, waar de beelden van verbrande en verkoolde mensen tot verontwaardiging en verzet zouden kunnen leiden. Maar ook het Amerikaanse publiek moest niet de indruk krijgen dat de inzet van kernwapens per definitie onmenselijk was en dat een kernoorlog het einde van de wereld zou betekenen. Onder de Press Code die generaal MacArthur in september 1945 afkondigde is veel fotografisch materiaal uit de eerste dagen na de atoomaanvallen in beslag genomen.

De Amerikaanse bezetters wisten niet te voorkomen dat de Japanse fotograaf Yosuke Yamahata zijn werk publiceerde. Yamahata was in dienst van het leger en werd samen met een tekenaar en een schrijver op 9 augustus naar Nagasaki gestuurd om er materiaal voor anti-Amerikaanse propaganda te verzamelen. Na een lange treinreis arriveerde het drietal ’s nachts om twee uur in een buitenwijk van de stad, veertien uur na de kernaanval. Onder een schitterende sterrenhemel rookte Nagasaki nog na van de vuurstorm die eroverheen was getrokken. Overal brandden vuren en vuurtjes, uit veel dode lichamen stegen blauwe fosforescerende vlammen op. „Het was van een onwerkelijke schoonheid.”

Zodra het licht werd, begon Yamahata te fotograferen, kalm en geconcentreerd, zonder speciale emotie en zelfs zonder mededogen. Waar het zo uitkwam liet hij slachtoffers poseren om ze beter in beeld te krijgen – hij heeft zich er later voor verontschuldigd. Hij fotografeerde wat hem vreemd voorkwam: dat een paard onder zijn wagen was geraakt, dat er rijstballen klaarstonden die niemand at, dat er zoveel dakpannen kapot waren. Een gezonde jongen die een verminkt broertje droeg. Een verbrande zuigeling in de armen van een verbrande moeder. Ondertussen dacht hij aan de kans dat er nog een bom zou vallen.

In de loop van de middag, 119 foto’s later, nam hij weer de trein terug. Dat was net tegen de tijd dat de eerste militaire artsen in Nagasaki arriveerden. Voorzien van klassieke dokterskoffertjes betraden zij een vlakte waar bijna niets meer overeind stond en tienduizenden het leven hadden verloren.

Binnen een paar weken bezochten ook Amerikaanse experts van het vermaarde Manhattan-project de getroffen steden. Ze wilden met eigen ogen zien wat een kernbom in een moderne stad aanricht. De doodse stilte, de overweldigende stank en de enorme hoeveelheid vliegen bleef ze het langst bij. Een maand na de aanval waren nog lang niet alle lichamen gecremeerd of begraven en de rioleringssystemen waren onklaar geraakt. Van vijandigheid onder de Japanse bevolking was geen sprake.

Noemenswaardig stralingsgevaar was er ook niet; dat was al eerder gebleken bij de proef met een plutoniumbom in de woestijn van New Mexico. De bescheiden kernbommen van Hiroshima en Nagasaki, die op ongeveer 500 meter hoogte ontploften, lieten in ‘ground zero’ weinig radioactief materiaal achter. Het merendeel was afgevoerd naar de hoge atmosfeer door de felle opwaartse luchtstroom die de paddestoelwolk vormde. De fall-out kwam later, kilometers verderop, als ‘zwarte regen’ naar beneden. De geringe radioactiviteit die een paar dagen na de explosies nog in het terrein van Hiroshima en Nagasaki werd waargenomen was een soort reactie van de omgeving op de bestraling met neutronen die eerder waren vrijgekomen. Dat soort radioactiviteit dooft snel.

De straling waarvan de inwoners van Hiroshima en Nagasaki primair het slachtoffer werden, bestond uit gammastraling, aangevuld met die niet te verwaarlozen hoeveelheid zeer agressieve neutronen. Hoeveel mensen door die straling zijn gedood is niet na te gaan; het merendeel van de doden verbrandde in de hitteflits van de explosies of bezweek onder de schokgolf die er op volgde. Ook kwamen veel mensen om bij ‘klassieke’ branden en instortingen. Wie een heel hoge stralingsdosis had opgelopen maar de eerste dagen na de ramp overleefde, had grote kans in de weken daarna alsnog aan ‘stralingsziekte’ te sterven.

Veel groter was het aantal inwoners dat een niet-dodelijke dosis gamma- en neutronenstraling opliep. Onder de atoombomoverlevers, of hibakusha zoals ze in Japan heten, ontwikkelde zich jaren later onevenredig veel leukemie en andere soorten kanker, en ook veel hart- en vaatziekten. In 1950 werd besloten het lot van deze tienduizenden zo nauwgezet mogelijk te volgen en te vergelijken met dat van een zorgvuldig geselecteerde niet-getroffen controlegroep uit de nabije omgeving.

In een Japans-Amerikaanse samenwerking is voor elk afzonderlijk slachtoffer zo goed mogelijk de dosis straling berekend die hij had opgelopen – een monnikenwerk dat nog steeds doorgaat. De inmiddels vermaarde Life Span Study is de belangrijkste bron van informatie geworden over de invloed van straling op de gezondheid van de mens. Een van de uitkomsten is dat elke verhoging van de natuurlijke dosis straling, hoe klein ook, de kans op kanker verhoogt. Daartegenover staat dat tot op heden geen enkele genetische afwijking is gevonden bij de kinderen van hibakusha die na augustus 1945 werden verwekt. Zelfs niet met de modernste onderzoeksmethoden.

Toen Yosuke Yamahata na terugkeer uit Nagasaki zijn foto’s aan een bevriende schrijver liet zien, raakte die zo overstuur dat hij niet meer kon slapen. „En ik had helemaal niets gevoeld. Het werd me duidelijk dat er geen excuus was voor mijn gebrek aan emotie.” Op dat moment besloot hij de foto’s voor zichzelf te houden en niet af te staan aan de propagandadienst van het Japanse leger. De militaire structuren stonden toch al op het punt van instorten. Yamahata bood zijn foto’s aan bij drie nationale kranten en die publiceerden ze voor generaal MacArthur ze kon tegenhouden.