Politie Rio blijft voorlopig moorden

Met een aandeel van zestien procent is de politie van Rio de grootste moordenaar van de stad. De haat zit diep.

Gewapende patrouille in een favela in Rio de Janeiro. In de sloppenwijken woedt een permanente strijd tussen de politie en drugsbendes. Foto Dado Galdieri/Bloomberg

Ze werden getroffen op weg naar huis, toen ze op straat met een vriend stonden te praten, of – zoals de 10-jarige Eduardo de Jesus – toen ze in het portiek van hun huis zaten te spelen met hun mobieltje. Zeker 1.275 mensen vermoordde de politie van Rio de Janeiro tussen 2010 en 2013, concludeert mensenrechtenorganisatie Amnesty in een nieuw rapport: 16 procent van de moorden in de stad. De politie schiet soms na een snel escalerende confrontatie, soms zomaar. Eduardo werd zonder aanwijsbare reden doodgeschoten door een passerende patrouille van Braziliës beruchte ordehandhavers, de militaire politie. Toen zijn moeder de patrouille schreeuwend en huilend verwenste, kreeg ze van een van hen te horen: „Zoals ik je zoon doodde, kan ik jou ook vermoorden. Ik heb alleen maar de zoon van een lamzak vermoord.”

Dat de Braziliaanse politie veel slachtoffers maakt, is geen nieuws. Meer dan 11.000 burgers werden tussen 2009 en 2013 door de polícia militar gedood, bleek vorig jaar uit een ander onderzoek In 2009 concludeerde Human Rights Watch dat sinds 2003 alleen al in Rio en São Paulo meer dan 11.000 mensen door de politie waren gedood – zoveel als in de VS in 30 jaar.

Politiemannen schieten uit wraak kleine drugshandelaren en soms willekeurige burgers dood als een van de hunnen is getroffen. Bij slachtoffers worden routinematig wapens neergelegd, zodat de moord kan worden geregistreerd als ‘arrestatie na verzet’. Dat dit bij Eduardo de Jesus gebeurde, kon alleen door de toegestroomde buurt worden voorkomen. Agenten worden vrijwel nooit aangeklaagd. De politie, concludeert Amnesty, ‘opereert met totale straffeloosheid’.

In veel favelas woedt een permanente oorlog tussen drugsbendes en de politie. Het alomtegenwoordige geweld – in Brazilië worden 56.000 moorden per jaar gepleegd – en een traditie van hard optreden zorgen bij de politie voor een strategie van ‘eerst schieten, dan vragen stellen’, zoals de directeur van Amnesty Brazilië het verwoordde. Bewoners zitten klem.

De Braziliaanse overheid blijft voorlopig doof voor de roep om hervorming die onderzoekers en ngo’s laten horen. José Mariano Beltrame, Rio’s wethouder voor openbare veiligheid, noemde de publicatie van het Amnesty-rapport „roekeloos en oneerlijk”.

Volgens Adilson Paes de Souza, een oud-politieman die in 2012 promoveerde op onderzoek naar politiewerk in São Paulo, zal de situatie voorlopig niet verbeteren, en zeker niet voor de Olympische Spelen van volgend jaar. De geweldscultuur bij de Braziliaanse militaire politie is diepgeworteld en veelgelaagd, legt hij uit, aan de telefoon vanuit São Paulo. Er is de wijdverspreide discriminatie tegen zwarten, de verachting van marginalen. „De jongens van de militaire politie komen uit de middenklasse. In hun training leren ze drugscriminelen te vrezen en te haten. Ze zijn blank, en staan op grote afstand van de arme, zwarte favelabewoners.” Vrijwel altijd zijn het jonge zwarte mannen die sterven door een politiekogel.

Sommige politiemensen achten moorden legitiem, zegt Paes de Souza. Een dode drugshandelaar kan zijn handel niet voortzetten in de gevangenis. De populaire politicus Paolo Telhada, een ex-politieman, schepte tegen The New York Times op dat hij zeker 30 mensen had gedood. „Ik heb geen medelijden met schurken.” Een deel van Braziliës middenklasse is het daar hartgrondig mee eens.

Heb medelijden met onze politiemensen, schreef columnist Vanessa Barbara van de krant Folha de São Paulo vorig jaar. “Ze zijn slecht opgeleid, ze werken in lange diensten. Ze lopen drie keer zo veel risico te worden vermoord als een gewone burger. Staken is verboden, ongehoorzaamheid of zelf nadenken geldt als desertie.”

Die militaire leest waarop de politie is geschoeid is de voornaamste oorzaak van het geweld, zegt Paes de Souza. “Tussen 1964 en 1985, tijdens de dictatuur, was de militaire politie de vuist van het regime. Die mentaliteit, van ‘de vijand is onder ons, hij moet vernietigd worden’, heerst nog steeds. Toen ging het om linkse denkers, nu gaat het om drugsdealers en armen die in de weg lopen.”