Over ie-de-re komma is nagedacht

Hoe lees je een gedicht? Ellen Deckwitz geeft iedere donderdag een cursus in nrc.next. Vandaag: hoe een gedicht tot stand komt.

Illustratie Jenna Arts Illustratie Jenna Arts

Hoe maakt een dichter een gedicht? Eitje. Hij trekt een toga (of zwarte coltrui) aan en gaat bij kaarslicht naar een kinderschedel staren. Dan volgt er een moment van goddelijk inzicht en voilà: klaar! Dat is althans de gedachte van de meeste mensen over het ontstaan van een gedicht. Helaas, ik heb deze methode geprobeerd en het heeft tot dusver nog geen resultaten opgeleverd. Laten we eens kijken hoe poëzie dan wél wordt gemaakt, omdat het je iets kan leren over het begrijpen van gedichten.

Een gedicht kan op verschillende manieren ontstaan. Dichters hebben hun oren en ogen altijd open. Ze kijken naar de wereld alsof er een gedicht in zit. Daardoor valt het hun ineens op dat een eik net een reuzenbroccoli is, of dat de avondlucht een waddenzee van wolken lijkt. Sommige gedichten beginnen met een spontane inval, maar helaas niet zo vaak als de dichter zou willen. Eens in de twintig jaar heb je opeens – poef! – zomaar een kant-en-klaar gedicht in je hoofd. Rutger Kopland zat op de camping in Frankrijk toen hem het hele gedicht ‘Jonge sla’ inviel. Maar doorgaans is dichten vooral een kwestie van goed luisteren én kijken. En nee, niet van drank en drugs. Die gebruik je wanneer je bitch wil chillen, niet als je poëzie gaat schrijven.

Een gedicht ontstaat vaak ook nog op een andere manier. De dichter T.S. Eliot schreef dat originaliteit een kwestie is van het goed verbergen van je bron. Dat is een mening die veel poëten delen. Een zekere grote Nederlandse dichter (die ik maar even niet bij naam noem) bezwoer bij leven dat hij nooit T.S. Eliot las, hoewel meerdere mensen hadden opgemerkt dat hun werk bijzonder veel parallellen vertoonden. Na zijn dood bleek zijn boekenkast gevuld met het verzamelde werk van – juist. Om het maar met Ingmar Heytze te zeggen: dichten is een auto stelen, omkatten en weer doorverkopen.

Wat de dichter zelf meemaakt, heeft eveneens invloed op zijn poëzie. We zien de wereld op basis van onze eigen ervaring en ons eigen referentiekader. Door deze twee invalshoeken ligt overigens het misverstand op de loer dat de ‘ik’ in het gedicht de dichter zelf is. Dat kan, maar hoeft niet. Het gaat niet om de dichter zelf, maar om het gedicht. De persoon erachter is bijzaak. Een dichter kan uit zijn eigen leven putten, maar kan er natuurlijk ook altijd dingen bij verzinnen.

Als een dichter dan een begin voor een gedicht heeft, of dat nou door jatwerk, levenservaring of goed opletten komt, begint pas het echte werk: het schrijven, schrappen en herschikken. Bij het maken van een gedicht komt meer transpiratie dan inspiratie kijken. Een gedicht is maakwerk waaraan een emotioneel en rationeel proces ten grondslag ligt. Dat kan kort duren, maar meestal uren en soms zelfs jaren. Redacteuren, vrienden en geliefden lezen mee. Wanneer is het af? Wanneer het goed voelt. Wanneer er geen speld tussen te krijgen valt. Omdat de redacteur enthousiast is. Omdat onbekenden het mooi vinden.

Toen ik achter het ingewikkelde productieproces van gedichten kwam, ging ik anders kijken naar poëzie. Ik wist hoeveel werk erachter zat. Dat er over ie-de-re komma is nagedacht. Dat geen enkele zin er zomaar staat. Ik begon langzamer te lezen. Kijk eens naar het gedicht hiernaast. Over die vinger (en ja, het in je mond stoppen), is misschien enorm lang gepiekerd. Wel doen, niet doen. Werkt het, werkt het niet. Dat er toch is besloten deze vinger erin te laten, zegt iets. Wat? Dat moet je zelf uitmaken.

Het gedicht is geschreven door dichteres Johanna Geels (1968) en staat in haar nieuwe bundel Vuurmakers, die in oktober uitkomt. Gedichten beginnen bij haar doorgaans met een zin of een tekstflard waarvan zij voelt dat het werkt. Ze put uit haar persoonlijk leven, verdraait, schrijft, herschrijft, tot ze merkt dat het vers af is.

Toen de Amerikaanse dichteres Dorothy Parker werd gevraagd wat de bron van haar creativiteit was, luidde het antwoord: „Need of money dear”. Om maar te zeggen: álles kan een aanleiding zijn. Een gedicht kan een optelsom zijn van alle vrijpartijen die de dichter ooit heeft gehad. Het kan een uitsnede zijn van een landschap. Een combinatie van zinnen die je in de trein hebt gehoord. Het kan gebaseerd zijn op het oeuvre van een dichter die je bewondert.

Wat de aanleiding ook is: veel maakt het niet uit. Als het maar leidt tot iets wat je blik op je wereld vergroot. En misschien dat uiteindelijk, na het lezen van veel poëzie, de wereld dan zelf ook een groot gedicht blijkt te zijn.