Column

Manou

Manou is 26 jaar oud. Ze heeft lang, donker haar, in dreadlocks samengebonden met een roze elastiekje, heldere, bruine ogen en een paarse neuspiercing. De gestreepte broek van grof katoen wappert heen en weer als ze met luchtige stappen mijn kamer binnenkomt. Om de kleine teen van haar linker blote voet zit een ringetje. Verward door haar glimlach, weet ik even niet hoe ik moet beginnen. Ik had een andere entree verwacht na mijn telefoontje: bezorgd, angstig?

Vorige week bezocht Manou me vanwege een bultje in haar hals. Ze komt uit Frankrijk en is sinds twee jaar aan het backpacken. De laatste maanden werkt ze hier in het dorp in een boomgaard. Ik dacht aan een lymfeklier, maar stelde voor om ter geruststelling een echo te laten maken. Ze had geen verzekering, bekende ze me. Dus die 160 dollar voor de echo moest ze zelf ophoesten. „Twee dagen werken”, had ze gelachen, „just to buy some peace of mind.

Vandaag om vijf voor zes, toen ik snel nog even mijn inbox controleerde, spatten plots die onwerkelijke letters van mijn beeldscherm: KANKER. Beduusd staarde ik ernaar. 26 jaar oud. Uitgezaaide schildklierkanker. Terwijl je aan het backpacken bent aan de andere kant van de wereld…

De chirurg die ik belde, adviseerde dat Manou zo snel mogelijk naar Frankrijk zou teruggaan voor verder onderzoek en behandeling. „Met operatie, radioactief jodium en chemo heeft het een relatief goede prognose”, sloot hij af.

Ik belde Manou of ze vanavond nog langs kon komen. „Ok”, zei ze, „Ik probeer wel een fiets te lenen van iemand op de camping”. En nu, twintig minuten later, zit ze voor me, een stralende wolk van kleur, katoen en dreads.

„De uitslag is niet goed”, begin ik. „Het ziet eruit als schildklierkanker en het bultje is waarschijnlijk een uitzaaiing daarvan.” Ik zwijg even. „Het spijt me. Dit moet nogal een schok zijn.” Ik kijk haar aan. Manou kijkt onbewogen terug.

Ik leg haar uit wat het advies van de chirurg was. „Afgezien van het feit dat je niet verzekerd bent hier, kan ik me voorstellen dat je sowieso liever thuis bent nu?”

Manou zucht. „Ik zou volgende maand naar Australië gaan, een vriendin bezoeken. Ik wil ook rustig de tijd nemen om na te denken wat voor soort behandeling ik wil. Ik ben meer van de natuurlijke oplossingen, zie je?”

We praten over de verschillende opties, de onderzoeken die moeten volgen. Ik blijf maar naar haar gezicht kijken, de heldere ogen, de donkere wenkbrauwen. Het gemak waarmee ze hierover praat: is de diagnose eigenlijk wel geland?

Terwijl ik een brief schrijf voor haar arts in Frankrijk, begrijp ik plotseling waar de uitdrukking ‘ een brok in mijn keel’ vandaan komt. Ik slik en geef haar mijn mobiele nummer. „Als er iets is wat ik voor je kan doen, of als je nog iets wilt overleggen...”

Manou fronst. „Weet je wat trouwens bizar was? Terwijl ik hier naartoe fietste, kwam ik mijn ex tegen bij de rotonde. Ik heb hem een jaar niet gezien. Hij liep daar met zijn nieuwe vriendin. Dat is toch een vreemd toeval? Maar hij deed zo raar. Hij gaf me niet eens een zoen als begroeting. Ben je drie jaar samen geweest... Geeft hij niet eens een zoen. Ik snap dat niet. Jij?”