Kijken in Oostenrijkse kelders

Filmer Ulrich Seidl toont in zijn nieuwste film de verborgen obsessie van Oostenrijkers met hun kelders.

Van sm-kelder tot washok: onder en boven beelden uit de film Im Keller van regisseur Ulrich Seidl en cameraman Martin Gschlacht, nu in de bioscoop.

De sleutels rinkelen kil in het betegelde trappenhuis. Een vrouw daalt af naar de kelder. Ze haalt enkele gebloemde dozen te voorschijn, opent die zorgvuldig en neemt er een baby uit. Op spookachtige wijze levensecht. Ze knuffelt de kindjes, fluistert troostende woorden en belooft dat ze snel hun vader zien. Daarna legt ze de babypoppen terug in hun keldergrafjes. De deur gaat weer op slot.

Deze scène uit de film Im Keller (2014) van de Oostenrijkse cineast Ulrich Seidl (1952) toont de onderaardse kelderfantasieën en lusten van zijn landgenoten. Seidl zelf noemt de kelder „het symbool voor het Oostenrijkse onderbewustzijn. Het is een plaats van duisternis, een plaats van angst, een plaats van menselijke afgronden.” De keldermetafoor van Seidl is niet helemaal oorspronkelijk: er is de adembenemende horrorfilm The Cellar (1989) over een monster dat zich als de personificatie van het kwaad schuilhoudt in een kelder. In de toneelliteratuur is Krapp’s Last Tape (1957) van Beckett een mooi voorbeeld van een stuk dat zich ondergronds afspeelt.

De schim van de Oostenrijkse keldergriezel Josef Fritzl, die 26 jaar lang zijn dochter seksueel misbruikte in het ondergeborchte van zijn huis, waart door deze film. Wat in kelders gebeurt, kan het daglicht niet verdragen. Met eerdere films als Dog Days (2001) en vooral de Paradies-Trilogie (2012-2013) ontsluierde Seidl al de sinistere kant van gevoelvolle zaken als geloof, hoop en liefde. Seidl beweegt zich op de grens tussen documentaire en fictie.

Zijn nieuwe film begint onschuldig met een operazanger die in de kelder een hoge C oefent, maar al snel komen we terecht in de kelder als plek voor perverse sm met een meesteres die haar slaaf „varken” noemt en die ze seksueel vernedert. Of de man die in de kelder een reuzenslang houdt die hij voedt met een wit knaagdier. Als de slang in een felle beweging aanvalt, geniet de man zichtbaar van dit moment suprême.

Seidl bouwt zijn film traag op. Het kan aldoor erger. Dat is ook de zwakte van zijn film: de Oostenrijkse kelders zijn plek bij uitstek voor alles wat naargeestig, afwijkend en creepy is. Geen van de geportretteerden geeft aan waarom zij die gang naar de kelder maken en niet bijvoorbeeld naar zolder. In dat schemergebied spelen mannen met schiettuig, daar drinken drinkers aan hun eigen bar en heeft een jager op groot Afrikaans wild de muren vol gehangen met een parade van antilopen, gnoes, impala’s. De geportretteerden spreken openhartig over hun geheime hobby. Cameraman Martin Gschlacht zet de frontaal gefilmde beelden esthetisch neer, hard van belichting en symmetrisch van compositie. De ruimtes die hij afbeeldt met lage plafonds en muren zijn claustrofobisch, alleen af en toe zien we een keldervenster maar dat is geheel van ondoorzichtig glas. Een film over de keerzijde van Oostenrijk zonder Hitler zou ondenkbaar zijn. Een keurig uitziende mijnheer, Josef, koestert in zijn kelder een overdaad aan nazi-memorabilia. Het geschilderde portret van de Führer noemt hij het „mooiste huwelijksgeschenk dat hij ooit kon krijgen” en met plumeau stoft hij het liefdevol af. In vitrines bewaart hij een keur aan SS-wapens, messen, medailles, zwart-glimmende petten. Banieren met hakenkruizen sieren de wanden. In deze Hitlerkeller komt de alcoholische Josef met een geheim Hitlergenootschap bijeen om te drinken. Als hij op een gegeven moment de hedendaagse politie „de Gestapo” noemt, weet de kijker het zeker: voor deze man is het Derde Rijk dagelijkse werkelijkheid. Het verraderlijke van Im Keller is de volkomen vanzelfsprekendheid waarmee de betrokkenen hun verborgen obsessies botvieren. Kennelijk is het de allergewoonste zaak van de wereld in de kelder Hitler te bejubelen, morbide seks te hebben en kindjes te knuffelen. Dat vanzelfsprekende maakt Im Keller doodeng.