‘Jullie gaan met de auto naar Kazachstan? Jullie zijn gek’

Arnon Grunberg rijdt deze zomer met de Afghaanse voormalige asielzoeker Qader Shafiq van Nijmegen naar Kabul voor familiebezoek. Hij schrijft dagelijks een reisverslag.

Na zestien uur wachten aan de Wit-Russische grens vielen de formaliteiten zelf mee. De douaniers hadden petten op die aan Noord-Koreaanse petten deden denken, maar een vrouwelijke beambte – het Wit-Russische uniform kan erotiserend zijn – had voornamelijk één vraag: „Hebben jullie Pools vlees bij jullie?”

Toen reisgenoot Qader antwoordde: „Nee, dat Poolse vlees vonden we niet lekker”, verscheen er een glimlach op haar gezicht.

Daarvoor was wel een mannelijke beambte drie kwartier met onze paspoorten verdwenen.

„We moeten niet vergeten,” zei ik tegen Qader, „dat er in West-Europa volksstammen rondlopen die niet kunnen wachten tot ook daar weer serieuze grenscontroles worden ingevoerd. Misschien is Wit-Rusland ons voorland.”

Dan Brest, de grensstad, een stad die zoals veel steden in deze regio diverse malen van land veranderde: Polen, Rusland, Duitse bezetting, Sovjet-Unie, Wit-Rusland. Op 22 juni 1941, toen Hitler zijn pact met Stalin opzegde, is hier zwaar gevochten.

Brest is gerestaureerd, en vandaag wordt hier feest gevierd, Brest is jarig. Soldaten met blauwe petten (luchtmobiele brigade) paraderen door de straten.

Eten doen we in het Times Café, dat zijn best doet aan The New York Times te herinneren. Wit-Rusland mag geïsoleerd zijn, het Westen lokt, misschien wel daarom. Bewoners in de grensstreek met Polen schijnen een zogenaamd shopping-visum te kunnen kopen waarmee ze over de grens boodschappen mogen doen. Mochten mensen ooit broeders worden, komt het door het shoppen.

’s Morgens vroeg staan we weer in de rij, dit keer voor een elektronisch vignet waarmee we over de Wit-Russische snelwegen kunnen rijden. De wachttijd bedraagt slechts één uur. Een gevluchte Tsjetsjeen zegt: „Jullie gaan met de auto richting Kazachstan? Jullie zijn gek.”

Qader, die ervaring heeft met totalitaire systemen, is ervan overtuigd dat de staat ons door middel van het vignet afluistert en daarom roept hij af en toe tegen het vignet: „Leve president Loekasjenko.”

In Minsk ontmoeten we Tanya, een Wit-Russische vriendin van een vriendin van me. „Kan het zijn dat we door dat vignet worden afgeluisterd?” vraag ik haar.

„Alles is mogelijk”, antwoordt ze. „Wit-Rusland is goed met IT, en de staat houdt de burgers nauwgezet in de gaten. In oktober zijn er verkiezingen, maar de uitkomst ligt al vast. Een revolutie zie ik hier niet gebeuren. Loekasjenko is door handig manoeuvreren in de Oekraïnecrisis ook bij zijn eigen bevolking populairder geworden. Wij zijn een gehoorzaam volk.”

„Een verslagen volk?” vraag ik.

„Wij hebben geleerd om te berusten.”

Wordt vervolgd