Ik werd achtervolgd door het vuur

Yoshiko Okabe was in Hiroshima toen de eerste atoombom viel. Nu vertelt ze over haar vlucht uit de stad en haar leven daarna. „De huid van mijn moeder was gesmolten en droop van haar lichaam.”

Yoshiko Okabe

Op 6 augustus 1945 was Yoshiko Okabe zestien jaar oud. „Ik zat in de vierde klas van de middelbare school”, zegt de nu 86-jarige Okabe. Met twee van haar drie zussen was ze die ochtend nog thuis. De rest van het gezin was al weg.

Okabes moeder was geronseld om te helpen bij het slopen van huizen en het verbreden van wegen. De open ruimtes moesten fungeren als brandweringen wanneer er Amerikaanse brandbommen zouden vallen. Haar vader had een vergadering. Okabes oudste zus was op kantoor.

Het was nog vroeg, maar het lot had deze drie Okabes precies in het gebied bijeengebracht waarboven de hemel bruut uiteen zou worden gescheurd. Binnen loopafstand van wat we nu kennen als ground zero.

„Mijn jongere zusje was net terug van het platteland”, herinnert Okabe zich. Wegens de Amerikaanse bombardementen op Japanse steden waren vele tienduizenden stadskinderen naar het platteland geëvacueerd. Ook haar twaalfjarige zusje. Maar om de een of andere vreemde reden was Hiroshima niet gebombardeerd.

„Er vielen geen bommen op Hiroshima, en het leek een goed idee dat ze voor de zomervakantie terug naar huis kwam”, zegt Okabe.

Hun dag was begonnen met schrik. „Er was een luchtalarm geweest”, zegt Okabe, „dus we waren naar een schuilkelder gegaan”. Maar de kust was weer veilig verklaard en de drie hadden de kelder weer verlaten.

Er is gelukkig niets gebeurd

„Gelukkig hè, dat er niets is gebeurd, zeiden we tegen elkaar.” Ze waren opgelucht na de angst van het alarm. Okabes oudere zus ging opgelucht naar de wc. Okabe praatte met haar jongere zusje. Op dat moment explodeerde de bom.

„Het was alsof er een enorm zware aardbeving plaatsvond”, zegt ze. Overlevenden noemen altijd de verblindende flits. Maar Okabe herinnert zich slechts het overdonderende lawaai. „Alles om ons heen stortte in elkaar. Ik dacht dat er een bom precies op ons huis was gevallen.”

Instinctief beschermde ze haar hoofd, zoals ze op school bij talloze oefeningen had geleerd. Ze riep haar jongere zusje: „Ben je in orde?” „Het doet pijn”, kermde een stem terug. De twee wurmden zich uit de ruïne van het huis. De oudere zus zat vast op de wc, maar was ongedeerd. Ze waren gered door de afstand. Hun ouderlijk huis was 1,6 kilometer verwijderd van de explosie.

Binnen een kilometer van de plek waar de bom insloeg, overleed 86 procent van de inwoners en raakte 10 procent zwaargewond. Okabes moeder was in dat gebied, maar overleefde de explosie. Ze keek naar het vreemde Amerikaanse vliegtuig toen de bom ontplofte. Ze was vreselijk verbrand.

„Van de driehonderd, vierhonderd mensen die op dezelfde plek werkten als mijn moeder, stonden er na de klap maar drie of vier weer op”, zegt Okabe. De pijn was ondraaglijk. Maar de bezorgdheid om haar dochters gaf haar de bovenmenselijke kracht om de anderhalve kilometer naar huis te lopen.

Om haar heen dwaalden overlevenden verdwaasd rond, velen met gedeeltelijk gesmolten ledematen en loshangend vel. Een vuurstorm verslond de stad. Veel overlevenden stortten zich in een van de rivieren om aan de vlammen te ontkomen. De meesten verdronken of stikten doordat de vuurstorm alle zuurstof opzoog. Terwijl de vlammen eraan kwamen, riepen angstige stemmen onder ingestorte huizen om hulp. Maar niemand kon hen helpen.

Een muur van vuur

Overlevenden zouden de situatie later beschrijven als een hel. Okabes moeder liep dwars door die hel heen om haar dochters te bereiken.

Okabe herkende haar moeder bijna niet. Ze droeg nog slechts flarden van kleding. Haar huid was gesmolten in de intense hitte en droop van haar lichaam. Haar mond was totaal vervormd. Toen ze haar dochters zag, stortte ze uitgeput neer en verloor ze het bewustzijn.

Kort daarna schreeuwde een man dat de muur van vuur eraan kwam. „Het vuur was al vlakbij”, herinnert Okabe zich. „Overal waar je keek, brandde het.” Toen Okabes oudere zus de man hoorde schreeuwen, trapte ze in woeste doodsangst de wc-deur los. „Die deur heeft het leven van mijn moeder gered”, zegt Okabe. „We legden onze moeder op de deur en droegen haar weg.” Ze durfde niet om te kijken naar het vuur dat hen achtervolgde. „Ik was veel te bang”, zegt ze met trillende stem.

Het duurde drie dagen voordat de drie zussen met hun gruwelijk verbrande moeder de verwoeste stad uit waren. „Ik liep op mijn blote voeten”, zegt Okabe. „We droegen haar steeds een stukje en rustten dan weer.” Daarna liepen ze weer verder. Langs verwoeste huizen en dode mensen, paarden en honden.

’s Nachts sliepen ze langs de weg. Omringd door andere gevluchte inwoners van Hiroshima. „Ik zag geen andere gezinnen. Er waren kinderen, middelbare scholieren”, herinnert ze zich. Uitgeput riepen die met zachte stem om hulp en water.

Na een tocht van dertig kilometer bereikten de dochters de lagere school waar de Okabes hadden afgesproken elkaar te treffen na een bombardement. „Er is al een Okabe hier”, vertelde iemand hun. „Het was mijn vader”, zegt Okabe.

Hij was vreselijk verbrand en lag in een ruimte voor mensen die nog maar een paar dagen te leven hadden. „Er is nóg een Okabe, hoorden we. Het was mijn oudste zus.” Ook zij had afschuwelijke brandwonden. Het hele gezin was herenigd. Een zeldzame uitzondering.

Pas nu ontdekte Okabe dat ze zelf ook gewond was. Toen ze naar beneden keek, zag ze dat haar benen opgezwollen waren en vol glas zaten. „Ik voelde de pijn pas toen ik tot rust kwam.”

Ze waren weliswaar veilig, maar niet gered. „Er waren geen medicijnen. We hadden alleen een ontstekingsremmende vloeistof”, zegt Okabe. Dat hielp niet veel. Na enige dagen zaten de wonden van haar vader, moeder en zus vol maden. „Die haalden mijn oudere zus en ik er met eetstokjes uit.”

Het was moeilijk een man te vinden

In de gehele regio was er nauwelijks tot geen medische hulp voor de overlevenden. Pater Siemes, een Duitse missionaris en ooggetuige in Hiroshima, schreef later: ‘Duizenden gewonden die het leven lieten, hadden ongetwijfeld kunnen worden geholpen als ze de juiste behandeling en zorg hadden gekregen. Maar hulp voor een catastrofe van dit formaat was niet voorzien. Omdat de hele stad in één klap was verwoest, was alles verloren dat voorbereid was voor eerste hulp. En er waren geen voorbereidingen getroffen voor hulpdiensten in de omliggende gebieden.’

Uiteindelijk bracht een legerarts een bezoek aan de lagere school waar de Okabes onderdak hadden gezocht. „Hij onderzocht de rug van mijn vader en zei: dit is niet goed”, vertelt Okabe. Over de wonden was een dun laagje huid gegroeid waar de maden onder kropen. „Hij trok het vel eraf”, herinnert ze zich. „Mijn vader brulde. ‘Hou op!’, schreeuwde hij. Maar de arts ging door met het afpellen van de huid.” Die nacht kreeg haar vader hoge koorts. „Hij schreeuwde dat hij zich zorgen maakte om zijn kinderen.”

Enkele dagen later overleed hij. „Ik omhelsde hem en huilde”, herinnert ze zich. Ze liep door het dorp op zoek naar een yukata, een Japanse katoenen zomerkimono. „Geef me alstublieft een yukata”, vroeg ze volslagen onbekenden. Ze wilde niet dat haar vader naakt werd gecremeerd.

Samen met haar twee gezonde zussen ging ze de bergen in om brandhout te verzamelen voor de crematie. Daarna trok Okabe weer door het dorp. Deze keer bedelde ze om een pot. Om de as en de botten van haar vader in te doen.

De overgebleven gezinsleden reisden uiteindelijk naar familie in Okayama, zo’n 160 kilometer van Hiroshima. Onder veel overlevenden heerste intussen een mysterieuze ziekte. Hun haar viel uit, ze kregen rode vlekken op de huid, zweren op de lippen, hoge koorts, diarree, en ze kampten met een enorme daling van het aantal witte bloedlichaampjes. Mensen die erover hoorden, waren doodsbang dat het besmettelijk was.

Als dorpelingen langs het huis van het uit Hiroshima gevluchte gezin liepen, deden ze een hand voor de mond en wendden hun gezicht af. Ook de familie van de Okabes was bang. „Ze deden niets voor ons. Ze waren bang dat ze ziek van ons zouden worden.”

De moeder en zus van Okabe werden beter en overleefden. Maar ze waren verminkt door littekens. De atoombom achtervolgde de Okabes de rest van hun leven.

Met angst, ziektes en discriminatie. Hoewel de dochters uiteindelijk alle vier trouwden, bleek het erg moeilijk een partner te vinden die het aandurfde te trouwen met een hibakusha, een overlevende van de atoombom. „Bij elk huwelijksgesprek kwam Hiroshima ter sprake, en werden de gesprekken afgebroken”, zegt Okabe.