De ossenwagen was een mascotte in Derde Boerenoorlog

In 1947 verscheen een geschiedenis van Zuid-Afrika van 1952 tot 2010. Het zou volgens de auteur pas in 2015 gelezen kunnen worden.

Keppel-Jones maakte zich in 1947 zorgen over de toekomst van Zuid-Afrika. Uit: Beeld van Zuid-Afrika. Land van zonneschijn en land van de toekomst. Uitgeverij De Boer, 1956

In de zomer van 1966 breekt de Derde Boerenoorlog uit – en dit keer wordt die uitgevochten met tanks, marineschepen en vliegtuigen. Ook met ossenwagens, maar die hebben alleen symbolische waarde, als een soort militaire mascotte. Een internationale troepenmacht die de Zuid-Afrikaanse Republiek wil omverwerpen in 1966: het zou anders lopen, want juist in dat jaar werd apartheidsarchitect Hendrik Verwoerd vermoord, met extreem openbaar blank rouwvertoon tot gevolg.

De oorlog was het visioen van de Zuid-Afrikaanse historicus Arthur Keppel-Jones. In 1947 schreef hij een roman in de vorm van een geschiedenisboek: When Smuts Goes. A History of South Africa from 1952-2010. First Published in 2015.

Keppel-Jones maakte zich zorgen wat er zou gebeuren als Jan Christian Smuts zou verdwijnen: de Zuid-Afrikaanse staatsman die betrokken was bij de oprichting van de Verenigde Naties. Die zorg gaf hij vorm in een verhaal dat in 1952 begint, wanneer generaal Juksei (de naam verwijst naar Afrikaner jeu de boules) de verkiezingen wint. Een fascistische regering gaat van start. Keppel-Jones schetst een land vol racisme, antisemitisme en een verbod op andere politieke partijen. Er breekt een periode aan waar mannen met namen als premier Bult, Schadenfreude (propaganda), Smalspoor (transport) en commandant Faustrecht (martelt gevangen) de leiding hebben, het land wordt vertegenwoordigd door ambassadeur J.B. Verneuk.

Tegelijkertijd is dit het begin van een grootschalige uittocht. Totdat dus in 1966 een oorlog uitbreekt en het land met razend geweld in elkaar dondert. Bult sterft, waarna een periode van Britse en Amerikaanse bezetting volgt. De hardcore Afrikaners vluchten naar Argentinië, overal wordt er land ontvreemd en er wordt ruzie gemaakt over de verschillende talen en in welke taal er onderwijs gegeven moet worden.

Sommige dingen had Keppel-Jones goed gezien: nadat Smuts was verdwenen – hij zou in 1948 de verkiezingen verliezen van apartheidspoliticus Malan – kwam Zuid-Afrika steeds meer in een internationaal isolement terecht. Maar dat de blanke Afrikaners het land zo strak in handen zouden kunnen houden, voorzag Keppel-Jones niet: in zijn boek wordt een Xhosa-politicus premier – totdat die door een Zulu wordt vermoord, waarna het land onteigend wordt op een manier die nog het meest lijkt op de manier waarop Mugabe Zimbabwe kapot heeft gemaakt.

Zo eindigt Zuid-Afrika dan in Smuts goes: in een poel van corruptie en verpaupering en uiteindelijk zelfs met een pestepidemie in 2010 die de bevolking halveert. De bevolking negeert het Rode Kruis, vertrouwt op medicijnmannen en komt massaal om het leven. Vanuit Argentinië kijken gevluchte blanken toe, in het gezelschap van foute Duitsers: zie je wel? Zuid-Afrika is het hart van donker Afrika geworden.

Arthur Keppel-Jones heeft een flink deel van de periode die hij beschreef nog meegemaakt. Hij overleed in 1996 en kon dus zien dat hij gelijk had wat betreft het internationale isolement en de twijfelachtige positie van het land onder een apartheidsregering. De rest – dat gelukkig niet strookt met Keppel-Jones’ pessimistische visie – is geschiedenis.