De koningin van het Nederlandse toneel

Bijna zestig jaar stond Ellen Vogel op het toneel. Toen ze dacht dat haar carrière voorbij was, bleek ze veel populairder dan ze ooit had vermoed.

Ellen Vogel op 22 januari 2007, vier dagen voor haar 85ste verjaardag. Foto ROBIN UTRECHT / ANP

Haar laatste grote rol speelde Ellen Vogel twaalf jaar geleden in de film De tweeling: een geserreerde oude dame die met gemengde gevoelens haar in de oorlog naar Duitsland vertrokken tweelingzuster terugzag. Haar eerste rol dateerde uit 1945, toen ze na haar Amsterdamse toneelopleiding debuteerde bij het pas opgerichte toneelgezelschap Comedia. Zo omspande ze als actrice een periode van bijna zestig jaar, waarin ze tot de top van haar generatie behoorde – als toonbeeld van een gedistingeerde speelstijl die haar volgens schrijver Hugo Claus tot „de koningin van het Nederlandse toneel” maakte.

Ellen Vogel overleed woensdagochtend in het VU-ziekenhuis in Amsterdam. Ze was 93 jaar oud, maar had haar belangstelling voor het toneel nog allerminst verloren. Tot voor kort bezocht ze trouw de premières waarvoor ze werd uitgenodigd. Op haar verzoek kreeg ze plaats op de eerste rij, omdat haar gezichtsvermogen niet meer ideaal was. Maar de stok waarop ze steunde, had haar nauwelijks minder statig gemaakt dan ze in haar gloriejaren was. Relativerend legde ze zich neer bij het feit dat er nu al jongeren waren die haar naam niet meer kenden, zoals dit voorjaar bleek in de documentaire De dingen die voorbijgaan van Michiel van Erp. Instemmend citeerde ze haar lang geleden overleden collega Han Bentz van den Berg: acteren was „spelen met rook”. En in De Wereld Draait Door vertelde ze zelfs op spottende toon dat de Theo d’Or, die ze in 1961 kreeg voor haar rollen in de drama’s Kasteel in Zweden en Joseph in Egypten, gestolen was: „Die dief dacht zeker dat het écht goud was”. Toch was er wel iets dat ze wilde achter te laten: „Je hoopt dat je een scène hebt gespeeld waar bepaalde mensen op bepaalde momenten iets aan hebben gehad.”

Bijna haar gehele leven woonde Ellen Vogel in Amsterdam – de laatste paar jaar in een verzorgingstehuis aan de rand van de stad. Maar het leek alsof ze altijd in hart en ziel Haags was gebleven. Ze was een van de drie kinderen in het gerenommeerde Haagse kunstenaarsgezin Vogel. Haar vader Albert Vogel was een voordrachtskunstenaar naar negentiende-eeuwse snit, en haar moeder trad op met teksten van Louis Couperus die een groot bewonderaar van haar was. De kinderen werden bijna martiaal opgevoed. „Mijn ouders waren schattig, maar er waren twee dingen waar ze streng in waren”, zei Ellen Vogel in de vorig jaar verschenen familiebiografie De Vogels van Caroline de Westenholz. „We moesten rechtop lopen en duidelijk spreken.” Dat klinkt als een klassieke toneelopleiding. Geen wonder dat ook haar broer Albert (als voordrachtskunstenaar) en haar zus Tanja (als balletpedagoge) een theatercarrière kozen. Ze groeiden op „in de kunst van het converseren”, aldus de biografe.

Deze hyperverzorgde stijl werd in de jaren veertig en vijftig gezien als het summum van zuiver acteren. Vaak werd er lyrisch over haar geschreven, zoals in Het Parool anno 1964: „Ze heeft een lange hals, met daarboven een profiel waarin op een sterke structuur de finesses met de fijne beitel van een Griekse beeldhouwer lijken te zijn ingevuld”.

Haar hoofse voorkomen, met de delicate dictie van haar stem, kwam echter pijnlijk in botsing met de oproerige tijdgeest die daarop volgde. Een onheus dieptepunt vormde de karaktermoord die de rebelse criticus Ischa Meijer eind jaren zestig in de Haagse Post pleegde op „de actreutel Ellen Vogel, die uit een onbegrijpelijk soort masochisme telkenmale weer de aandacht van het ganse vaderlandse theaterleven op haar eigen onmacht wenste te richten”. Het sloeg nergens op, het was ongefundeerd – niet meer dan een kwajongensstreek om de lachers op zijn hand te krijgen. Maar bij Ellen Vogel kwam de klap hard aan. En hij dreunde des te harder door, toen de Aktie Tomaat in 1971 een eind maakte aan het voortbestaan van de Nederlandse Comedie, het eerste toneelgezelschap van het land dat in de Stadsschouwburg van Amsterdam decennia lang haar thuisbasis was geweest. Alles had ze daar gespeeld, van modern tot klassiek, van komedie tot drama, en bijna altijd werd ze door het publiek op handen gedragen.

Dat laatste had mede te maken met de vele tv-rollen die ze speelde, onder meer in de Couperus-bewerkingen van regisseur Walter van der Kamp. Haar filmoeuvre is, mede door de verplichtingen van haar vaste dienstverband bij de Nederlandse Comedie, veel minder uitgebreid. Een van de beste filmrollen speelde ze in 1960 in het rond de Sinterklaasdagen gesitueerde Makkers staakt uw wild geraas van haar toenmalige echtgenoot Fons Rademakers.

Toen ze zelf dacht dat haar toneelcarrière voorbij was, bleek haar dat ze veel populairder was dan ze ooit had vermoed. Gretig vroegen diverse andere gezelschappen en vrije producenten haar voor gastrollen. Haar laatste toneelrol speelde ze in 2000, toen ze bijna tachtig was, in het stuk Verzameld werk, samen met de ruim veertig jaar jongere actrice Roos Ouwehand. Ze wilde toen liever niet dat producent Joop van den Ende de voorstelling zou presenteren als haar toneelafscheid; dat zou een dramatische druk op de voorstelling leggen, vreesde ze. Pas na enige tijd bleek dat ze zich niet meer in staat voelde tot nieuwe toneelrollen. Wel nam ze nog met plezier enig kleiner tv-werk op zich, zoals het rolletje van de vage Juliana in de serie Bernhard, schavuit van Oranje in 2010. Verder niets meer. „Ik vind het nu mooi geweest”, luidde haar commentaar – na een carrière die tot de mooiste van het Nederlandse toneel behoort.