De comedian die niemand spaarde

Vanavond is het de laatste keer dat Jon Stewart het politiek satirische The Daily Show presenteert. Zelfs Obama vreesde het programma.

Stewart wilde beleidsmakers en nieuwsmedia bij de strot grijpen. Foto AP

Twee keer ging Jon Stewart op bezoek bij Obama in het Witte Huis. Eenmaal in oktober 2011 en eenmaal in februari 2014. Stewart was daar op uitnodiging van de president, die de invloedrijke presentator van The Daily Show zijn beleid wilde uitleggen, onthulde Politico vorige week.

Het toont de invloed van de satirische show van Comedy Central – en in het bijzonder van Stewart zelf, die vanavond na bijna 17 jaar en ruim 2.600 uitzendingen voor het laatst achter zijn vertrouwde bureau zal zitten.

Stewart liet nooit een mogelijkheid onbenut om zijn programma te karakteriseren als een ‘fake news show’, waarin de grap boven alles stond en overdrijven of fragmenten handig aan elkaar monteren was toegestaan om een punt te maken. Die positie maakte hem onschendbaar: zo kon hij iedereen de maat nemen en zelf achter het schild van comedy verschuilen als hem inhoudelijk iets verweten werd.

Zijn rappe tong deed de rest. De pakweg 2,2 miljoen kijkers – liberaal, hoogopgeleid en veel jonge mannen, een doorgaans moeilijk te bereiken doelgroep – waren dol op hem. Hij kon altijd vertrouwen op een studiopubliek dat nadrukkelijk was geïnstrueerd uitzinnig op hem te reageren en de steun van miljoenen die zijn filmpjes daarna op sociale media deelden.

Onder de gordel

Stewart groeide op in New Jersey en begon na de universiteit met stand-up comedy in New York. Begin jaren negentig kreeg hij een programma op MTV. Zijn doorbraak kwam in 1993, toen hij mocht optreden in de Late Show van David Letterman. Een tweede, langer lopende en naar hem genoemde show op MTV volgde (The Jon Stewart Show), waarna hij in 1999 The Daily Show overnam van Craig Kilburn.

Dat was tot dan toe vooral een entertainmentprogramma, met veel onder-de-gordel-humor. Stewart verlegde de aandacht naar politiek en nieuws. De grap kwam niet langer voort uit gewoon maar wat jennen, maar uit frustratie en onbegrip over wat er in Amerika gebeurde.

En er gebeurde genoeg: Stewarts eerste grote test was de controversiële overwinning van George W. Bush bij de presidentsverkiezingen van 2000. Bush was daarna acht jaar lang een dankbaar onderwerp voor de naar links leunende Stewart.

Degenen die vreesden dat met het einde van het Bush-tijdperk de munitie op raakte, kregen deels gelijk. Obama wist hoe hij Stewart kon bespelen – gezien de uitnodigingen om langs te komen, maar ook door in zeven jaar maar liefst zeven keer in het programma langs te komen en zijn persvoorlichters op te dragen altijd bereikbaar te zijn als The Daily Show belde of mailde. Jazeker, ook Obama kreeg er nog weleens van langs, bij het falen van het aanmeldingssysteem voor Obamacare bijvoorbeeld, of als het over de inzet van drones ging, maar Stewart richtte zijn pijlen veel en veel vaker op andere – vooral rechtse – doelwitten. De Republikeinse presidentskandidaten in 2008 en 2012 kregen ervan langs, net als FOX News en het volgens Stewart in uitsloverige graphics en sensatienieuws ten onder gaande CNN.

The Daily Show wordt gemaakt in een informele sfeer: een team van 15 tot 20 schrijvers, waar Stewart zelf ook toe behoort, begint met een ochtendvergadering waar materiaal van tientallen tv-zenders, kranten, tijdschriften en sites wordt besproken. Daar wordt vooral veel frustratie geuit door „een stelletje zuurpruimen”, zei Stewart in 2008 tegen The New York Times. „De rest van de dag proberen we die frustratie te maskeren met elke creatieve kwinkslag die we kunnen bedenken.”

Gevraagd naar zijn reden om te stoppen zei Stewart onlangs tegen The Guardian dat hij bang was in herhaling te vallen, en dat hij ook weleens thuis wil zijn als zijn zoon (11) en dochter (9) uit school komen. Stewart regisseerde bovendien in 2013 een film, Rosewater, en heeft meerdere malen gezegd dat hij zoiets vaker zou willen doen. De Zuid-Afrikaanse komiek Trevor Noah neemt The Daily Show volgende maand over.

Lang niet altijd de gedroomde baas

Dit is een goed moment, zeggen sommige criticasters. Want begon Stewart zichzelf niet té serieus te nemen? Werd hij niet te zelfingenomen? Werd die eeuwige vete met FOX News niet een beetje vervelend?

Stewart lanceerde de carrière van medekomieken als Stephen Colbert, Steve Carrell en John Oliver, maar vorige week bleek dat hij achter de schermen lang niet altijd de gedroomde baas was. Voormalig Daily Show-schrijver en -correspondent Wyatt Cenac zette hem in een podcastinterview neer als een kille leider, met wie hij in 2011 een flinke aanvaring had. Cenac, destijds de enige zwarte schrijver van het team, protesteerde tegen een in zijn ogen racistische imitatie van Herman Cain door Stewart, waarop Stewart hem de huid vol schold. Cenac: „Hij stond op en hij zei: ‘Fuck off. Ik heb het gehad met je’. Dat bleef hij maar tegen me schreeuwen.” De twee legden het nooit helemaal bij.

Stewarts invloed op de televisie is niet te onderschatten. Hij werd verantwoordelijk voor een eigen subgenre, dat recht tegenover dat van (de eerder dit jaar ook gestopte) David Letterman stond. Letterman wilde gewoon wat vriendelijke anekdotes uitwisselen met een filmster, Stewart wilde beleidsmakers en nieuwsmedia bij de strot grijpen en ze een paar intelligent verwoorde grappen als dolken in de rug steken. Onder meer The Colbert Report (Comedy Central, gestopt in december omdat Colbert volgende maand Letterman bij CBS opvolgt), Last Week Tonight with John Oliver (HBO) en in Nederland Zondag met Lubach (VPRO, met Arjen Lubach) ontsproten aan Stewarts strakke Daily Show-formule.

Echte invloed

Hij was bovendien bij machte de politiek en de media te beïnvloeden. Stewart zorgde er onder andere voor dat een regeling voor reddingswerkers die als eerste ter plaatse waren geweest op 11 september, en gezondheidsproblemen kregen als gevolg van het werken op Ground Zero, niet door de Republikeinen geblokkeerd werd.

Toen hij een paar dagen na de schietpartij in een kerk in Charleston (South Carolina) waarbij in juni negen zwarte Amerikanen omkwamen, zei dat de bij sommigen aan racisme en slavernij herinnerende vlag van de Geconfedereerde Staten nog steeds op veel plekken wappert, droeg dat bij aan de nationale dialoog en uiteindelijk het neerhalen van die vlag in South Carolina.

En toen de twee interviewers van CNN’s interviewprogramma Crossfire hem in 2004 het vuur na aan de schenen wilden leggen door te zeggen dat hij de Democratische presidentskandidaat John Kerry te soft had aangepakt, pareerde Stewart simpelweg door te benadrukken dat hij komiek was, en geen journalist. Het liep desastreus af voor Crossfire, helemaal toen Stewart op zijn beurt scherp en hard uithaalde naar hún journalistiek. Drie maanden later haalde CNN de show uit de lucht.

Maar zeg niet dat hij daar verantwoordelijk voor was. Jon Stewart maakte slechts grappen.