Column

Aitkens kunsttrein haalt artiesten uit hun comfortzone

‘Moderne musea zouden omgebouwd moeten worden tot zwembaden en nachtclubs… of leeggehaald en achtergelaten als omgevingskunstwerken”, schreef kunstenaar Allan Kaprow, vader van de happening, in 1967 in The New Yorker. Nu, bijna vijftig jaar later, zijn musea er nog steeds in overvloed en populairder dan ooit. Maar het idee dat kunst zich ook buiten de muren van de gevestigde kunstinstituten kan afspelen, heeft sinds die late jaren zestig wel degelijk navolging gekregen.

Kijk alleen maar naar de vele zomerexposities die op dit moment gehouden worden in oude forten (Gimme Shelter), in paleistuinen (Palace in Wonderland) of stadsparken (Artzuid, Vormidable), in boerenschuren (Kunstenfestival Watou) of aan zee (Beaufort). Buiten, omringd door duinen of hopvelden, wordt de kunst onderdeel van een ervaring. Dan speelt het landschap mee als decor, dan dragen weersomstandigheden, geuren en veranderend licht bij aan de beleving.

Maar wat als dat landschap zelf voortdurend verandert en het decor steeds verschiet? Zou dat de kunstwerken nog spannender maken? De Amerikaanse kunstenaar Doug Aitken testte dat twee jaar geleden toen hij een tentoonstelling samenstelde in een rijdende trein die in 24 dagen van de Amerikaanse oostkust naar de westkust reed. Aan boord waren honderd kunstenaars die ter plekke werk maakten of optraden tijdens de tussenstops . Maar ook de trein zelf, gedecoreerd met blauwe ledlampjes, was een kunstwerk – een highspeed lichtsculptuur.

Volgens Aitken is er in de kunst grote behoefte aan nieuwe platforms, aan plekken waar ruimte is voor experiment, zo zei hij onlangs in een interview met The Art Newspaper. „Als we tevreden raken met de standaardisering die gaande is in de kunst, hoe kan kunst dan van waarde blijven? Hoe zorgen we dat kunst niet afremt en steeds irrelevanter en kapitalistischer wordt?” Aitken wilde af van het idee dat tentoonstellingen altijd in een specifieke stad op specifieke locaties en tijden plaatsvinden. Dus maakte hij een expositie, Station to Station, die als een soort pop-upmuseum langs grote en kleine steden leidde: nomadisch, tijdelijk, beweeglijk.

Deze maand verschijnt een documentaire over de nu al legendarische kunsttrein. De trailer, te zien op stationtostationfilm.com, belooft tal van memorabele momenten. Aitken is erin geslaagd om de kunstenaars, veelal grote namen, daadwerkelijk uit hun comfortzone te halen. We zien schilder Ed Ruscha cactusomeletten bakken in de woestijn van Arizona. Olafur Eliasson, bekend van zijn immense installaties, probeert met een ingenieus apparaat de beweging van de trein vast te leggen op een vel papier. En muzikant Beck geeft tijdens een stop op Union Station in Los Angeles een memorabel concert met een gospelkoor.

In juli deed Aitkens Station to Station-project het Barbican Centre in Londen aan. Daar waren in dertig dagen tijd performances te zien van honderd kunstenaars. De Zwitser Olaf Breuning stak er zijn kleurrijke rookbommetjes af, de Braziliaan Ernesto Neto maakte zachte aanraakkunst in een Mongoolse tent en de Mexicaan Pedro Reyes organiseerde een spirituele speeddatedag. Het was alsof Allan Kaprows geest door de stad waarde. Alsof de happening, die typische kunstvorm van de sixties, weer een grote toekomst heeft.