Ik hoop dat die melkpoeder niet stiekem cocaïne is

Arnon Grunberg rijdt deze zomer met de Afghaanse asielzoeker Qader Shafiq vanuit Nederland naar Kabul. Hij schrijft dagelijks een reisverslag.

‘Ga niet naar Wit-Rusland”, zegt de receptionist van het hotel in Poznan. „Het is daar gevaarlijk.”

Wij kunnen niet om Wit-Rusland heen, de route door Oekraïne is tegenwoordig nog gevaarlijker.

Onze Volvo is volgestouwd met ongeveer twaalf paar schoenen (Van Bommel) en enkele dozen melkpoeder. De schoenen zullen we uitdelen aan mensen zonder schoenen. Wij menen dat het geschenk niet alleen de goden maar ook de mens gunstig kan stemmen. Toen ik verleden jaar met Artsen zonder Grenzen door Oost-Congo reisde, kregen we van die organisatie 100 dollar de man mee om overvallers gunstig mee te stemmen. Wat we in Congo met dollars deden, proberen we in de voormalige Sovjet-Unie met schoenen te bereiken: de potentiële tegenstander charmeren. Het melkpoeder is voor een Nijmeegse dame die zich nu met haar kind en Afghaanse man in Tadzjikistan bevindt. Een paar keer per dag zegt mijn reisgenoot Qader: „Ik hoop niet dat die melkpoeder stiekem cocaïne is.”

De romankunst bestaat bij de gratie van wantrouwen, de schrijver zelf dient te vertrouwen.

Tot Volgograd, het voormalige Stalingrad, zullen mijn petekind en zijn moeder meereizen. Ze hebben hun tassen volgeladen met Nederlandse kaas om de plaatselijke bevolking voor zich te winnen.

Midden in Polen hoor ik de anekdote dat na de sancties tegen Rusland Europees vlees op miraculeuze wijze Argentijns vlees bleek te zijn. Sancties zijn altijd ook een goudmijn.

Qader heeft haast, zijn moeder in Kabul wacht op hem, maar hij wil om nostalgische redenen ook nog een naaktstrand op de Krim aandoen.

Warschau schijnt het nieuwe Berlijn te zijn. Het zou goed kunnen, we rijden erdoorheen.

Een kilometer of zestig voor Wit-Rusland houden we halt bij Hotel Folklore, waar uitstekende pierogi, Russische ravioli, en bietensoep worden geserveerd.

Dan de grens. We hadden ons voorbereid op een wachttijd van circa acht uur, het blijkt om zestien uur te gaan. De rij bestaat vooral uit Wit-Russen, Russen en etnische Duitsers uit Kazachstan die dankzij het recht op terugkeer in Duitsland zijn beland.

„De rij was essentieel voor ons leven in de Sovjet-Unie”, zegt Qader. Hij studeerde in de Sovjet-Unie. „Er is weinig veranderd. Soms stond iemand al een half uur achter je en dan vroeg diegene: ‘Waarvoor staan we eigenlijk in de rij?’”

„Voor Wit-Rusland”, antwoord ik.

„Hoe dommer de autoriteiten, hoe aardiger het volk”, antwoordt Qader, „maar gastvrij is anders”.

Wordt vervolgd