Het publiek wil die festivals

Nu is het tijd voor De Parade, in verschillende steden. Voor de Gelderse muziekzomer, rondom de Veluwe. Straks begint het Nazomerfestival in Zeeland. Dan komt IDFA met filmdocumentaires. Tussendoor Roodkapje Radicals – a series of festivals that present radical art. En nog veel meer. Het hele jaar door zijn er festivals, voor muziek, literatuur, beeldende kunst, theater, film. Voor alle kunsten. Het zijn er veel. Te veel? Misschien. Anderzijds wijst de overvloed erop hoezeer de festivals gewaardeerd worden. De meeste zijn goed- tot drukbezocht door een publiek dat de desbetreffende kunst graag in festivalsfeer ervaart. Alles bij elkaar voor allemaal bij elkaar. Buiten de reguliere musea en theaters die velen van dit publiek minder snel bezoeken: volle zalen voor een film op het Filmfestival Rotterdam betekenen nog niet een succesrijke bioscooprelease.

Niet de kunst is laagdrempelig op een festival, de lat ligt doorgaans hoog. Wel het bezoek ervan. Het is er non-conformistisch en gezellig en je komt allicht dichtbij de kunstenaars. In officiële nagesprekken, of gewoon, in de festivalbar.

Door minister Bussemaker (Cultuur, PvdA) en de Raad voor Cultuur worden de festivals expliciet gewaardeerd, als bruggenbouwers die een nieuw publiek interesseren. Dat is fijn voor ze. En zuur, want Bussemakers voorganger Zijlstra (VVD) had het niet op ze. Hij behield er vier, met nadrukkelijke reductie van hun specifieke rijkssubsidie en het leeuwendeel voor het gerenommeerde Holland Festival. Alle andere festivals verwees hij naar de overheidsfondsen. Die sprongen bij, uit budgetten waar ook op gekort was, net als private fondsen als het VSBfonds. Structureel is dit zelden.

Bussemaker suggereert nu zo ongeveer dat ze Zijlstra’s besluit terugdraait. Maar het bedrag dat ze uittrekt is een stuk geringer dan haar woorden doen geloven.

Intussen gaan de festivals door, met beperkte programmering en wat minder extra’s. Ze doen nog meer beroep op vrijwilligers en spreken hun reserves aan. Maar hoe zeer hun publiek ook van hen houdt, hun inkomsten zijn te gering en vele zullen verloren gaan.

Het is tijd voor duurzame erkenning van het belang van de festivals voor het Nederlandse culturele landschap. Ze populariseren de kunsten in de gunstige zin van het woord. Ze bieden podia voor het experiment. Ze ijveren voor wat vergeten dreigt te worden – elk festival kent zijn retrospectief. Ze zijn tegelijk actief in de productie én in de presentatie van de kunsten. Ze zijn een baby met twee hoofden, die nu eens geen gedrocht is maar bewezen levensvatbaar.

Daarvoor is continuïteit noodzakelijk. Het festivalpubliek is trouw, en die trouw moet beloond worden.