Daar zit je dan, met je moedermelk

Het aantal vrouwen dat langer dan zes maanden borstvoeding geeft, is in korte tijd verdubbeld. Dus moet er vaker worden gekolfd op kantoor. Een comfortabele kolfplek is niet vanzelfsprekend.

Je bent net bevallen en er is een heel klein mensje bijgekomen. Natuurlijk staat je leven dan behoorlijk op z’n kop. En dat kan ook invloed hebben op het werk. Overwerken gaat niet meer altijd zomaar en ook al wil je overal ‘ja’ op zeggen, voor sommige dingen heb je gewoon geen tijd meer. Als je besluit om lang borstvoeding te geven, kan er na je verlof een extra moeilijkheid bijkomen op de werkvloer. Dan moet je gemiddeld twee keer per dag en soms wel drie kwartier kolven. Een pomp op hun borsten zetten om zichzelf, nou ja, te ‘melken’. Waar doe je zoiets? Het is ongebruikelijk om achter je bureau te blijven zitten. Bedrijven zijn dan ook verplicht om een kolfkamer te hebben. Maar een comfortabel privéplekje is allesbehalve standaard. Veel vrouwen kunnen daarmee te maken krijgen, blijkt uit een peiling van TNO: 39 procent van de moeders geeft na zes maanden nog steeds borstvoeding. Dat is een verdubbeling ten opzichte van 2010.

Dat merkte ook Tineke Hamoen (39) toen ze terugkwam van verlof. Er bleek helemaal geen kolfruimte beschikbaar – en ze werkte nog wel als gezinsbegeleider, bij jeugdzorgorganisatie Lijn 5 in Apeldoorn. Uiteindelijk vond ze een kamertje dat niet zo vaak werd gebruikt. „Ik zat met mijn rug naar de deur, want daar zat een raampje in.” Ze keek uit op een dakterras en normaal gesproken kwam daar niemand. „Maar op een dag stonden ineens collega’s buiten op dat terras een sigaretje te roken.” Daar zat ze dan, in het volle zicht, met een kolfapparaat aan haar borst. „Er kwam acuut niets meer uit. Ik vond dat niet heel charmant, nee.”

Moedermelk tussen de broodresten

Ook toen Isis Butôt (31) terugkwam van verlof, bleek er op de school waar ze werkt als docente Frans geen kolfkamer te zijn. Er werd verbaasd gereageerd op haar verzoek. „Ik kreeg het idee dat het lang niet gedaan was, dat ik de eerste was in jaren.”

Uiteindelijk kreeg ze een kamertje toegewezen dat normaal wordt gebruikt voor vergaderingen of als studieplek voor leerlingen. Echt heel lekker zat ze daar niet. „Ik had een heel lesuur, maar ik zat echt in mijn werkomgeving, er stond een tafel met een stoel en een metalen kast die ook in de lokalen staat. Ik liet de sleutel altijd in het slot hangen, om er zeker van te zijn dat niemand binnen kon komen. Er was geen stromend water en ik moest met mijn gekolfde melk naar de conciërge om het daar in de koelkast te leggen, omdat ik zelf liever niet de melk tussen de beschimmelde broodresten van mijn collega’s in de personeelskamer zette. ”

Hanna de Vries (30) had iets meer privacy. Ze beviel vorig jaar van haar eerste kind en geeft les aan de Universiteit Utrecht. „De ruimte waar ik heenga, is twee minuten lopen van mijn werklocatie, maar wel in een ander gebouw. Officieel is het nu een gebedsruimte. Eerst lagen er alleen maar tapijtjes op de grond, toen moest ik nog om een stoel vragen. Voordat ik erin kan, moet ik de portier om de sleutel vragen en mijn naam opschrijven in het logboek. Ik vind dat niet vreselijk, maar het is toch een beetje lastig. Je wilt liever een plekje waar je zo naar binnen kunt lopen en waarvan je zeker weet dat niemand anders er komt. Misschien komt er ineens een man binnen die wil gaan bidden, die ook een sleutel heeft, en dan zit ik daar met mijn vrouwelijke vloeistoffen.”

De werkgever heeft ‘kolfplichten’

Kolven op het werk wordt door sommige vrouwen dus als onprettig ervaren. Toch kan het vaak best wat comfortabeler. Een werkgever heeft namelijk veel ‘kolfplichten’. Volgens de Arbo-wet heb je recht op een ruimte die je kunt afsluiten. Er moet een opvouwbaar bed of een bank staan waar je eventueel op kunt uitrusten. Ook moet je voldoende rust en privacy hebben (dus liever geen kamer die grenst aan het rookhok of de kantine) en er wordt geadviseerd om een koelkastje in de kamer neer te zetten, waar je de gekolfde melk in kwijt kunt. Als je gaat kolven, mag je een kwart van je werktijd daaraan besteden. Dat is twee uur op een werkdag van acht uur. In sommige gevallen kun je dus zelfs naar huis of naar de opvang om je kind de borst te geven.

Waarom nemen vrouwen dan toch genoegen met minder? Dat je met kolven werktijd ‘verliest’, vinden veel vrouwen lastig. „Je moet snel kolven en daarna meteen door naar een vergadering. Voor je gevoel ben je constant aan het rennen”, zegt Marlies Lijten (36). Zij heeft drie kinderen en werkte bij het UWV. Bij haar eerste twee kinderen heeft ze gekolfd, maar bij de derde gaf ze het op. „Het kostte me te veel energie om alles te regelen en ik zag er tegenop vanwege de tijdsdruk.”

Volgens hoogleraar kindergeneeskunde Pieter Sauer van het Universitair Medisch Centrum Groningen is kolven op het werk inderdaad lastig. „In sommige beroepen is het lastig te combineren. Stel dat je arts of verpleegkundige bent, dan kun je niet zomaar weg in sommige situaties.”

Er heerst nog een zeker taboe op borstvoeding en kolven. Het wordt niet altijd gewaardeerd als een kind in het openbaar wordt gevoed, maar tegelijkertijd worden vrouwen erop aangekeken als ze besluiten hun kinderen alleen poedermelk te geven. Nogal tegenstrijdig. Misschien komt het ook daardoor dat vrouwen zich bezwaard voelen om er op kantoor over te beginnen, of om op hun strepen te blijven staan.

Volgens Sauers daalt het aantal vrouwen dat borstvoeding geeft vooral na drie maanden, deels omdat dan de zwangerschapsverlof voorbij is en deels omdat vrouwen hun vrijheid weer terug willen. „Als het lastig is, dan maak je als moeder sneller de keus om op de fles over te gaan, dat is logisch.”

Voor haar gevoel vroeg ze snel te veel

Weinig vrouwen bespreken het gebrek aan een fijne kolfkamer met hun leidinggevende. Op Hamoens werk was er een fusie gaande en ze had een tijdelijke vervanger als leidinggevende. „Het voelde vreemd om dat met haar op te pakken, ook omdat ze er maar kort zou zijn. Achteraf denk ik dat ik best had kunnen vragen om een vaste kolfkamer, maar toen heb ik het gewoon gelaten. Ik was allang blij dat ik weer aan het werk ging.”

Ook Butôt zegt dat ze destijds misschien wel om meer had kunnen vragen zoals een eigen koelkastje, maar uiteindelijk heeft ze het niet eens geprobeerd. „Voor mijn gevoel vroeg ik al snel te veel, ik werd ook al iedere dag een uur uitgeroosterd. Ik was de enige en wilde daarom geen dingen gaan eisen.”

De Vries sluit zich daarbij aan. „Enerzijds verwacht ik niet dat als ik officieel ga klagen er een leuke kolfkamer komt. Anderzijds weet ik dat ik er juridisch gezien recht op heb. Maar het voelt raar om van alles op te gaan eisen als ik weet dat er niet veel vrouwen zijn die er gebruik van maken.” Desondanks is ze wel te spreken over de flexibiliteit die ze heeft. „Ik hoef niet te verdedigen dat ik kolf. Het lijkt me heel irritant als je dat moet overleggen met je werkgever.”

Er zijn ook vrouwen die positieve ervaringen hebben, zoals Lijten. „Bij de UWV afdeling waar ik werkte, was ongeveer 80 procent vrouw, onder wie veel jonge moeders. Ik had wel verwacht dat er meer kolvende vrouwen zouden zijn. Toch bleek ik de eerste te zijn.” Ze waren net verhuisd naar een nieuw gebouw, waar wel een rookhok was geïnstalleerd, maar geen kolfkamer. Toch werd er meteen een kamer voor haar geregeld. „Er was al een doucheruimte met een wastafel en in die ruimte hebben ze een bureau gezet met een stoel. De kamer kon ook op slot. In het begin was er nog geen elektriciteit, maar dat hadden ze in een week geregeld.”