Ze delen hun tuin en wereldbeeld

Ooit waren woongroepen idealistische communes waarin alles werd gedeeld. Nu hebben bewoners liever een eigen appartement en delen ze enkele ruimtes en hun wereldbeeld.

De relatief nieuwe woongroep Homüschemül (naast GoedbeKeeken) heeft 8 bewoners maar ook familie en vrienden komen er. Foto's Jacqueline van den Heuvel

In het hartje van de Utrechtse binnenstad werd eind jaren zeventig een leeg universiteitspand gekraakt. Het was de tijd van grote woningnood en nog grotere idealen. De nieuwe bewoners kregen voor elkaar dat het kraakpand gelegaliseerd werd. Hun woongroep werd een stichting die het voormalige verzekeraarskantoor voor een woningbouwcorporatie ging beheren.

Het monumentale pand aan de Kromme Nieuwegracht wordt nog steeds op deze manier bewoond. Maar door een ander soort bewoners. Mensen met vaste banen en kantoortijden. Tien jaar geleden klaagde een van de oudere bewoners, vlak voordat hij na twee decennia zou vertrekken: „Vroeger gold de huisregel dat het tot elf uur ’s ochtends stil moest zijn. Tegenwoordig moet het na elf uur ’s avonds stil zijn.”

Voor haar afstudeerproject aan de Amsterdamse Fotovakschool bezocht Jacqueline van den Heuvel vijftien woon- of leefgemeenschappen. Ze vroeg zich af wie er wonen. „Zijn het vooral ouderen of mensen met een beperking die samen onder een dak wonen. Of doorgewinterde hippies die de hele dag de vrije liefde bedrijven?”.

Op één groep na – waar „veel onmin bestond maar die daarvoor inmiddels wel in therapie was” – leefden alle woongroepen in harmonie, zegt ze. De groepen zijn „in vele opzichten vergelijkbaar met een groot gezin”, vindt Van den Heuvel. „Alleen is het hier een bewuste keuze met wie je je huis deelt of samen eet”. De gemene deler kan „spiritueel of religieus zijn, maar ook duurzaamheid of andere maatschappelijke idealen”.

Hoe populair woongroepen zijn, is lastig na te gaan. Officiële statistieken bestaan er niet. Er wordt vaak een aantal genoemd van zeker tienduizend woongroepen in heel Nederland, maar dit is gebaseerd op een berekening van één socioloog die in de jaren negentig een extrapolatie deed op basis van een bescheiden steekproef. Volgens de Federatie Gemeenschappelijk Wonen worden er nog altijd „meer woongroepen opgericht dan opgeheven”. Maar, erkent bestuurslid Peter Bakker, „elke schatting is een slag in de lucht”.

Peter Sturkeboom adviseert met zijn Nijmeegse bedrijf STUT Consult mensen die samen een huis willen kopen om collectief te bewonen. Hij merkt sinds een jaar of acht een hernieuwde interesse. Vooral van mensen die ‘ecologisch’ willen wonen of alleenstaande senioren die liever niet op zichzelf wonen. Nu de crisis op de huizenmarkt voorbij is, neemt het aantal mensen dat daadwerkelijk aan zulke projecten begint weer toe, zegt hij. Veel nieuwe woongroepen zijn opgericht rond het idee van ‘centraal wonen’. Bewoners hebben een eigen appartement, maar delen ook ruimtes: een gemeenschappelijke woonkamer, een waszolder, een tuin. Privacy en collectief bestaan zo naast elkaar.

Op de Kromme Nieuwegracht in Utrecht ging zo’n gemeenschappelijke ruimte rond 2007 juist verloren. Sommige bewoners maakten er nooit meer gebruik van. Er werd gerookt, niet tot ieders genoegen. Gaandeweg ontstond een meerderheid voor sluiting. Belangrijk argument tijdens de verhitte huisvergaderingen: het verhuren zou ieders huur met een paar tientjes drukken.

Acht jaar later wonen er al weer veel nieuwe mensen in het pand. Zij hadden naast de grote stadstuin behoefte aan een plek om samen te komen. Dus werd de grote werfkelder opgeknapt, waar nu regelmatig intieme, akoestische huiskamerconcerten worden gegeven.