Kantoren zijn voor veel vrouwen te koud

Met vrouwen en ouderen is weinig rekening gehouden bij het ontwerp van verwarming en airco in grote gebouwen.

De airco op kantoor en in openbare gebouwen houdt te weinig rekening met vrouwen en ouderen. De normen stammen uit de jaren zestig en zijn afgestemd op mannen. De binnentemperatuur mag omhoog.

„Hoeveel, dat hangt dan weer van het soort werk en de kleding af.” Dat zegt onderzoeker Boris Kingma van de Universiteit Maastricht die gisteren een artikel over het energieverbruik van gebouwen en de ‘thermische behoefte’ van vrouwen publiceerde in Nature Climate Change.

In het algemeen hebben vrouwen graag een binnentemperatuur die drie graden hoger is dan wat mannen lekker vinden, staat in dat artikel.

In een experiment in Maastricht droegen jonge vrouwen die licht kantoorwerk deden een T-shirt met korte mouwen, een joggingbroek en sokken en schoenen. Zij voelden zich het lekkerst bij een binnentemperatuur van 23,2 tot 26,1°C. Mannen vinden dat al snel te warm.

„Die kunnen dan wat dunnere of minder kleren aantrekken, en in moderne gebouwen kan er ook lokaal worden gekoeld. Of verwarmd. Maar dat is mijn specialisme niet”, zegt Kingma die bij de afdeling humane biologie meet en rekent aan de warmtevraag van mensen. Voor dit onderzoek keek hij wat dat voor het energieverbruik van gebouwen betekent. Dat is commercieel belangrijk. „Bij de renovatie van een gebouw wordt bij het ontwerp bijvoorbeeld doorgerekend hoeveel energie het gebouw gaat verbruiken. Als de voorspelling en werkelijke verbruik te veel uiteenlopen krijgen de aannemer en de opdrachtgever ruzie. Daarom is het belangrijk om goede modellen te hebben. Wij zeggen: begin met de reële waarden van het energiegebruik van mensen.”

Dat is niet wat er op het moment gebeurt. Architecten hebben tabellen om de verwarmings- en aircocapaciteit te berekenen, maar de basisgegevens daarvoor stammen uit de jaren zestig. Het zijn modellen waarin de omgevingstemperatuur, de isolatie, luchtvochtigheid en ook de warmteproductie door de mensen in het gebouw zijn meegenomen. Die normen zijn ooit getoetst door onderzoek bij 1300 studenten. Daar waren zowel mannen als vrouwen bij, maar het is duidelijk dat vrouwen eerder ontevreden zijn over een gebouw dat aan die normen voldoet. Kingma: „Wij denken dat de vrouwen in dat onderzoek aan de rand van de comfortzone zitten.” Gebouwontwerpers vinden een gebouw overigens goed als 90 procent van de gebruikers tevreden zijn over het binnenklimaat.

Kingma: „Die oude Amerikaanse normen worden nu wereldwijd gebruikt. Maar er werken nu veel meer vrouwen en bovendien zijn de mensen veranderd: er zijn veel meer mensen met overgewicht die hun warmte minder goed kwijtraken.”

Of mensen zich comfortabel voelen bij een bepaalde omgevingstemperatuur hangt af van hun huidtemperatuur en hun kerntemperatuur. Bij iemand met een flinke vetlaag is het verschil tussen kern- en huidtemperatuur snel groter.

Er is nog iets mis met die oude Amerikaanse tabellen. „Als je goed kijkt naar waar het gebruikte cijfer van de warmteproductie van de mensen vandaan komt, dan kom je uiteindelijk terecht bij een meting aan één man”, zegt Kingma. Het was een man van 40 jaar en 70 kilo die rustig zittend 58 Watt per vierkante meter lichaamsoppervlak aan warmte af gaf (W/m2).

De 16 vrouwen die aan het Maastrichtse experiment meededen hadden een 20 procent lagere warmteproductie, van 48 W/m2. Die hebben zomers dus minder koeling nodig. Daarom zeggen de Maastrichtse onderzoekers: gebruik echte biologische gegevens om koeling en verwarming van gebouwen te ontwerpen.