Column

Hoe God nog leeft aan de Rijksstraatweg

Johanna Judith Zeelt, vrouwe Zeelt, dochter van een Amsterdamse makelaar in effecten, was al 40 toen ze trouwde met Cornelis van IJsseldijk, een weduwnaar van 53. Wat een vergissing. Van IJsseldijk bleek een bon vivant en vrouwe Zeelt was diepgelovig. Binnen drie jaar waren ze gescheiden van tafel en bed.

Toen Van IJsseldijk in zijn graf lag, verhuisde vrouwe Zeelt naar Baambrugge, aan de door Napoleon verharde Rijksstraatweg die Amsterdam verbond met Utrecht en Parijs. Ze bezat er een buitenplaats, Postwijck. Hier ging ze doen wat ze altijd al het liefste deed: zich helemaal aan God wijden. Op de afbeeldingen die er nog van haar zijn draagt ze een hooggesloten zwarte japon en een kanten mutsje, met een strik onder haar kin. Op haar schoot een bijbel.

Het jaar 1834 brak aan en in Ulrum, Noord Groningen, kwam dominee Hendrik de Cock na bestudering van Calvijn tot het inzicht dat de Nederlandse Hervormde Kerk het ware geloof verloren had. Er waren predikanten die beweerden dat de slang nooit echt gesproken had. En die appel? Symbolisch. O, gruwel! O, addergebroed!

De ruzies liepen zo hoog op dat De Cock uit de kerk werd gezet, waarna hij tegen de wil van koning Willem I zijn eigen samenkomsten begon te organiseren. Voor straf kreeg hij soldaten ingekwartierd. Toen dat niet hielp werd hij drie maanden opgesloten. Al gauw had hij duizenden volgelingen, eenvoudige boeren die ’s zondags graag hoorden hoe zondig ze waren, hoezeer geneigd tot alle kwaad en voor hun redding volledig afhankelijk van Gods genade.

De samenkomsten bleven tot 1855 illegaal en werden bestraft met hoge boetes. Wie betaalde die grotendeels? Vrouwe Zeelt. Ook stelde ze haar huis open voor de Baambrugse koksianen. Ze schreef Willem I een brief waarin ze de hoop uitsprak dat ze „in het laatste tijdperk mijns levens” niet blootgesteld zou blijven aan „belemmering van hetgeen bij het klimmen mijner jaren den troost mijns levens uitmaakt”.

Bij haar dood, in 1861, liet ze 6.000 gulden na voor de bouw van een kerkje in het weiland achter Postwijck. Het staat er nog steeds, een sober geval met een wit geschilderd gewelf en lindegroene banken. In 1892 sloten de gelovigen zich aan bij de volgelingen van Abraham Kuyper – gereformeerden. Ruim een eeuw later sloten de gereformeerden zich weer aan bij de hervormden.

Afgelopen zondag woonde ik de dienst van 10 uur bij. De kerk zat vol, en niet alleen met oude mensen. We werden voorgegaan door dominee Zijlstra uit Hellendoorn, die preekte over zonaanbidding. Daar zaten zeker zondige kanten aan, maar wat hij vroeger wel meemaakte, dat kinderen na de dienst hun pyjama aan kregen en niet meer naar buiten mochten, nee, dat ging hem ook te ver.

Na afloop werd er buiten koffie gedronken, in de zon. Een paar gemeenteleden deden een spelletje tafelvoetbal, en met een van de anderen – een freelance cameraman – keek ik naar Postwijck, dat jarenlang heeft leeggestaan, maar net weer in zijn oude luister is hersteld. „Het is gekocht door een advocaat uit Amsterdam”, zei de cameraman. „Jonge kinderen, het leven komt terug.” Zou de advocaat weten waarom dat kerkje daar achter zijn huis staat? De cameraman glimlachte en zei dat ze hem binnenkort eens zouden uitnodigen.