Het gaat hier niet zo hard met no cure, no pay

Cees Korvinus maakte mogelijk een no-cure-no-payafspraak. Dat mag in Nederland alleen in de letselschadepraktijk. Hoe zijn de ervaringen daar?

Een ontslagzaak gewonnen? Terwijl advocaten in Nederland keurig ‘uurtje factuurtje’ rekenen, steken advocaten in de VS soms tonnen in hun zak, ongeacht hoeveel uur ze eraan besteedden. Ze werken op basis van no cure, no pay. Dat betekent: alleen zaken aannemen die kansrijk zijn en bij winst 30 tot 40 procent van de totale ontslagvergoeding van hun cliënt opstrijken.

In Nederland vinden we dat een advocaat niet in de verleiding mag komen alleen kansrijke zaken aan te nemen. Bovendien mag er niet te veel verdiend worden aan andermans leed, is de mening. Het principe van no cure, no pay is in de Nederlandse advocatuur daarom niet toegestaan.

Advocaat Cees Korvinus heeft zich mogelijk toch iets te veel laten inspireren door zijn Amerikaanse collega’s. Gisteren berichtte deze krant dat de voormalig VARA-voorzitter zich bij de Orde van Advocaten moet verantwoorden voor een deal die hij in 2009 sloot voor Ad Bos, klokkenluider in de bouwfraude. Korvinus wist toen een schadevergoeding van miljoenen voor Bos te krijgen van het ministerie van Binnenlandse Zaken. De Orde wil nu weten of Korvinus vooraf een percentage van dat bedrag voor zichzelf bedongen heeft. Dat neigt naar no cure, no pay. En dat mag niet.

Alhoewel, een uitzondering is er wel. Sinds januari 2014 mogen letselschadeadvocaten bij wijze van experiment een soort van no-cure-no-payregeling treffen. Vooral cliënten zouden ervan kunnen profiteren. Letselschadezaken zijn vaak kostbaar omdat deskundigen moeten worden ingeschakeld. Met no cure, no pay zouden cliënt én advocaat toch aan zulke zaken willen beginnen.

Vooraf was niet iedereen enthousiast over de proef, die vijf jaar duurt. Jarenlang politiek debat ging eraan vooraf. Politici waren bang voor advocaten die dachten flink te kunnen cashen bij een gewonnen zaak. Een lawine van claims kon het gevolg zijn.

Maar zo’n vaart lijkt het in Nederland niet te lopen. Sterker, toen het bestuur van de Vereniging van Letselschadeadvocaten (LSA) bij de laatste jaarvergadering vroeg hoeveel LSA-leden van de regeling gebruikmaken, stak één van de 130 leden in de zaal zijn vinger op. „De regeling is nog wat onwennig”, zegt letselschadeadvocaat Peter Langstraat, commissielid van de vereniging. „Het idee van no cure, no pay zit nog niet in onze advocatencultuur.”

Die voorzichtigheid heeft ook te maken met de opzet van de regeling, zegt Langstraat. Zo mogen advocaten bij winst niet een deel van de schadevergoeding opeisen, zoals in de VS, maar alleen een hoger uurtarief in rekening brengen, tot maximaal 250 procent. Die kosten mogen bovendien niet hoger zijn dan 35 procent van de schadevergoeding. „Je moet dus wel heel veel uren maken wil je aan dat maximum komen.”

Cliënten met een rechtsbijstandverzekering zijn bovendien uitgesloten van de regeling. En ook als de aansprakelijkheid al vaststaat vervalt de regeling – dan is de zaak wel erg makkelijk te winnen. Langstraat: „Advocaten schatten hun risico’s vooraf in. Maar bij ingewikkelde letselschadezaken, zoals fouten bij medische kunstgrepen, is zo’n inschatting niet makkelijk te maken. Zaken duren soms jaren. Kiezen voor no cure no pay is dan niet altijd interessant voor een advocaat.”

Mocht de proef alsnog slagen, dan wordt no cure, no pay volgens de Orde van Advocaten mogelijk ook in andere rechtsgebieden toegelaten. In het straf- of familierecht, waar ‘cure’ moeilijk te definiëren is, ligt invoering niet voor de hand. Te denken valt eerder aan ingewikkelde handelszaken met een financieel belang. Of aan ontslagvergoedingszaken, zoals de zaak van klokkenluider Ad Bos in feite was.