Gat in de lucht

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Als ik mijn dochter en haar vriendinnen ophaal van hockey, kom ik er niet onderuit langs Dunkin’ Donuts te gaan. Aan de toonbank staan ze dan ernstig en langdurig te twijfelen tussen een donut met roze glazuur of een chocoladeversie met gekleurde spikkels. Het eindigt er meestal mee dat ik, ongeduldig, een doos met van iedere soort zes bestel, onder het motto: wat jullie niet op krijgen, lusten jullie broers wel. Maar zover komt het natuurlijk niet. Op de achterbank worden de caloriebommen verzaligd opgesmikkeld.

Donuts staan voor mij voor het ultieme Amerikaanse troosteten. Bij elke voetbalwedstrijd, schoolfeest, bedrijfsuitje en verjaardag komt onvermijdelijk de gigantische doos donuts tevoorschijn. Het is makkelijk scoren: duur is het niet en vrijwel iedereen vindt het lekker. Dunkin’ Donuts heeft dan ook niet voor niets ruim achtduizend vestigingen in Amerika en een wereldwijde omzet van bijna 10 miljard dollar.

En dat terwijl de donut een serieuze kandidaat is voor het slechtste eten ter wereld. Zo bestaat de populaire chocolade-kokoscake donut uit maar liefst 550 lege calorieën. Hap, slik, weg. En dan heb ik het nog niet eens over de aanslag op het tandglazuur. Terwijl Amerika hard werkt aan een gezondere levensstijl, van Michelle Obama die de zoete aardappel uit de eigen achtertuin promoot tot voormalig burgemeester Bloomberg die de omvang van bekers frisdrank wilde begrenzen, gaat de verkoop van donuts alleen maar fors omhoog. „Amerika rijdt op Dunkin” is de reclamekreet. Toen de zangeres Ariana Grande onlangs in een winkel aan een donut likte en daarbij zei dat ze Amerika haatte, moest ze diep door het stof en haar excuses maken… voor het feit dat ze de donut had beledigd.

Waarom heeft dit zoete, vette eten de tand des tijds doorstaan? Volgens recent onderzoek associëren we troosteten met fijne herinneringen aan samenzijn met anderen. Eerst eten we het omdat we van hockey, voetbal of school een berehonger hebben gekregen. Gezellig met zijn allen van een feestelijk gekleurd, mierzoet hapje smullen. Later eten we het omdat we op zoek gaan naar precies dat gelukkige gevoel van saamhorigheid. De vriendinnen zijn ieder huns weegs gegaan, sporten doet intussen niemand meer, maar als we moederziel alleen die donut eten, zitten we weer samen te giebelen op de achterbank.

Voor ik de Amerikanen weer eens de schuld kon geven van alles wat slecht en verkeerd is, de oorspronkelijke donut schijnt uit Nederland te komen. Zodra mijn verre voorvaderen hier voet aan land hadden gezet, maakten ze iets wat ze oliekoek noemden. Wat de Hollandse wortels van de donut ook waren, het was een Amerikaanse uitvinding om een gat in de oliebol te maken.

Resteert dus één vraag: waarom zit er in Amerikaans troosteten zo vaak een gat? Niet alleen de donut, maar ook de bagel, gefrituurde uienringen, Cheerios (een favoriet ontbijt) en Life Savers (een razend populair snoepje) – allemaal hebben ze de vorm van een fietsband. Is het de reddingsboei van de troost? Is het de illusie van minder calorieën?

Mijn dochter had een origineel antwoord. Een tijdje geleden was ik met mijn gezin in Long Beach, Californië. We stonden stil voor een drive-through-restaurant met een enorm beeld van een roze donut op een sokkel. Starend naar de reuzendonut, wees ze op het grote gat in de lucht. „Moeten we daar nu doorheen rijden?”