Column

En wie is hier de dupe? De gewone werknemer

Wel de lusten, niet de lasten. Dat is het profijtelijke van een zogeheten flitsfaillissement. Profijtelijk voor de koper van de boedel. Het zou ook ‘stiekeme insolventie’ kunnen heten, of bekt dat niet zo lekker? Zonder dat de buitenwereld weet dat een bedrijf op omvallen staat, onderhandelt de directie met potentiële kopers voor de nog waardevolle activiteiten. Is er een akkoord, dan volgt een faillissement. En... een verrassing. De nieuwe eigenaar is regelmatig de oude en zet de zaken voort alsof er niets is gebeurd.

De koper is goedkoop uit. Hij kan personeel lozen zonder vergoeding, verliesgevende contracten verscheuren of, zoals bij de failliete garnalenpeller Heiploeg, een Europese kartelboete à 27.082.000 euro onbetaald laten.

Het flitsfaillissement van Heiploeg, begin 2014, kreeg vorige week de zegen van de rechtbank Almelo. Dat was niet de bedoeling van vakbonden FNV en CNV, die met de rechtszaak wilden proberen om banenverlies (90 van de 300) en versoberde arbeidsvoorwaarden teniet te doen. Zij klaagden dat in de organisatie, de klantenkring en de locatie van Heiploeg niks was veranderd. Maar dat het personeel wél gedupeerd was (net als andere schuldeisers, natuurlijk).

Een truc dus? Precies, een goocheltruc. Met dank aan de juristen die het flitsfaillissement bedacht hebben en zulke zaken regelen. Juristen zoals zij reken ik tot de meest vindingrijke beroepsgroepen, juridisch-economische goochelaars die nooit aan bod komen bij innovatiesubsidies.

Zij zorgen er namelijk wél voor dat er in economische zware tijden schokbrekers zijn die de pijn dragelijker maken. Wel banenverlies, maar minder dan bij een ‘ouderwets’ bankroet. Wel inkomensdalingen, maar minder.

De trucs en de buffers zie je in elke langdurige economische crisis in Nederland in steeds weer nieuwe gedaantes terugkeren. Elk tijdperk heeft zijn eigen juridische innovatie. In het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw vonden advocaten (van De Brauw) en adviseurs (van McKinsey) de sterfhuisconstructie uit. Hun vondst was onlosmakelijk verbonden met het bankroet van conglomeraat Ogem. De waardevolle dochterbedrijven werden uit Ogem getild, de verliesgevende dochters en de stroppenprojecten bleven achter in het ‘sterfhuis’.

Tien jaar later kregen we de ‘doorstart’, onlosmakelijk verbonden met vliegtuigmaatschappij Air Holland. Die liet zien hoe je als bedrijf uit de as kon herrijzen en je activiteiten kon voortzetten.

En nu dus het flitsgegoochel à la Heiploeg en kinderopvangconcern Estro. De innovatie is een Nederlandse variant op Amerikaanse en Britse trucs. Vandaar hun bijnaam ‘prepacks’: prepackaged, vooraf in elkaar geknutseld. Zoals een gebouw prefab in elkaar gezet wordt. Voor deze innovatie is hier geen wettelijke basis, maar er ligt wel een wetsontwerp bij de Tweede Kamer.

Twee aspecten van dat ontwerp lijken me cruciaal:

1. Uit onderzoek van Jordy Hurenkamp (van advocatenkantoor Wijn & Stael) naar 48 prepacks in de praktijk blijkt dat er in 37 situaties een verkoop volgde, waarbij gemiddeld 68 procent van de werkgelegenheid werd behouden.

2. De rechtbank zou als standaardvoorwaarde voor een prepack moeten eisen, dat de ondernemingsraad dan wel een vakbond met voldoende leden onder het personeel onder geheimhouding wordt betrokken bij de prepack. Zoals minister Ard van der Steur (Veiligheid en Justitie, VVD), die het wetsontwerp heeft ondertekend, terecht opmerkt: de impact van een faillissement voor de werknemers is over het algemeen groter dan voor ander schuldeisers.