Een Nederlandse Porsche krijg je in Kabul niet verkocht

Arnon Grunberg rijdt deze zomer met de Afghaanse voormalige asielzoeker Qader Shafiq van Nijmegen naar Kabul voor familiebezoek. Grunberg schrijft dagelijks een reisverslag.

Het plan begon als een grap, maar zo begint de werkelijkheid vaker. Zoals je tegen een onbekende kunt zeggen: „Laten we voor altijd bij elkaar blijven”, en nog jaren later aan diegene vastzit, zo zei Qader Shafiq in de winter van 2014 tegen mij: „Laten we met de auto naar Afghanistan gaan.”

„Oké”, had ik geantwoord.

Qader is een voormalige Afghaanse asielzoeker – tegenwoordig is hij een Nederlander die toevallig in Kabul is geboren, zoals mijn ouders toevallig in Berlijn waren geboren – met wie ik verleden jaar naar Afghanistan reisde om zijn moeder en broer te ontmoeten. En om het land beter te leren kennen, nu eens niet in het gezelschap van een NAVO-soldaat, hoewel de NAVO-soldaat mij uitstekend was bevallen.

Een vriend van Qader wilde ons zijn Porsche geven, maar we moesten de auto in Afghanistan verkopen en hij wilde er minstens 10.000 euro voor hebben. Toen Qader bij vrienden en kennissen in Afghanistan informeerde, kreeg hij te horen: „We kunnen vanuit Dubai goedkopere Porsches krijgen.”

Redding bood Remco van Vloten, autodealer. Hij bood ons als steunbetuiging een oude Volvo aan en voegde daaraan toe: „Deze auto is ook gemakkelijk in Kazachstan te repareren.”

Vervolgens bleek de Afghaanse ambassade tegen te stribbelen bij het verstrekken van een visum. Een medewerker van de ambassade liet weten: „Indien je over land wilt reizen kan ik niets voor je betekenen. Per vliegtuig is veilig. We zien je namelijk ook graag weer terug.”

Ik beloofde vanuit Tadzjikistan het vliegtuig naar Kabul te nemen. Of dat veiliger was waagde ik te betwijfelen, maar ik wil de Afghaanse ambassadeur best een plezier doen nu mijn moeder er niet meer is.

Zo ongeveer sinds zijn aankomst in Nederland woont Qader in Nijmegen en daaraan was het te danken dat burgemeester Bruls (CDA) ons uitzwaaide. Hij gaf ons een boek over Nijmegen, een T-shirt en een fles wijn mee die we konden weggeven aan behoeftige mensen onderweg. Verder zei hij: „Zelf ga ik twee weken naar Denemarken.”

’s Avonds arriveerden we in Poznan. De stad is tijdens de oorlog geheel verwoest. Sommige wederopbouw blijft op verwoesting lijken.

„10 procent van de reis zit erop”, zei Qader in een Tex-Mex-restaurant.

Aan de bar zat een stel met een kind, verder was het leeg.

„Morgen Minsk”, vervolgde Qader, „dit is onze laatste avond in de EU.”

We bestelden nog een fles wijn.

Wordt vervolgd