Column

De vorm aan diggelen

Gerts personage staat al twaalf bladzijden lang in het portiek, zich afvragend of hij bij zijn ex-vrouw aan zal bellen. „Wanneer hakt die vent de knoop nou eens door?”, vraagt Martinus. „Dat doet hij niet”, zegt Gert. „Hij blijft de hele roman in het portiek staan.”

„Maar dan gebeurt er dus eigenlijk niks”, zeg ik.

„Als ik hem laat aanbellen, wordt het weer een verhaaltje”, zegt Gert. „Maar ik wil geen verhaaltjes schrijven.”

„De vorm moet aan diggelen”, zeg ik.

„Precies! De vorm moet aan diggelen! Vind jij dat ook?”

„Nee, helemaal niet”, zeg ik. „Maar ik weet dat veel mannen dat willen. Sommige vrouwen ook hoor”, voeg ik er haastig aan toe. „Nou, zet ’m op Gert. Dan gaan we nu naar het werk van Hanna.”

Maar zo makkelijk kom ik er niet van af. Gert wil weten wat ik denk.

„Als ik zeg wat ik denk, krijg ik zo’n enorme hekel aan mezelf dat we daarna direct moeten pauzeren”, zeg ik. „Want dan moet ik herstellen met thee met veel suiker.”

Ze gaan er eens lekker voor zitten.

„Vorm is maar pakpapier”, zeg ik uiteindelijk. „Ulysses is gewoon een goed boek. Brecht is gewoon een goeie schrijver. Maar daar krijg je die schoolboeken niet vol mee, dus roepen we dat het zo’n goed boek is omdat het breekt met de vorm, omdat die roman van duizend bladzijden zich op één dag afspeelt, omdat het vanuit het point-of-view van een waterdruppel geschreven is, omdat het achterstevoren geschreven is, in kleur overgaat of juist in zwart-wit, omdat het personage zich tot de lezer of de schrijver of de kijker richt en ga zo maar door. Alle vernieuwing lijkt op elkaar.”

„Dus van jou mogen we alleen gewone verhaaltjes schrijven”, zegt Gert.

Ik kijk hem zwijgend aan. Dit is het allerergste wat je tegen me kunt zeggen. Waarom eigenlijk? Misschien omdat het waar is. Ben ik tegen vernieuwing? Hadden we, als het aan mij lag, nog met takkenbossen lopen slepen omdat ik de uitvinder van het wiel in zijn gezicht had uitgelachen? Anderzijds: ik hou wel van Darwin. Maar wetenschap is iets anders dan kunst. Ik kom er niet uit. Ik had deze romanbegeleiding nooit moeten doen. Ik ga de directeur vragen of ik gewoon weer aan beginners les mag geven.

„Nee”, zeg ik uiteindelijk. „Nee, je mag doen wat je wilt natuurlijk. Ik zeg niet wat wel en niet mag. Ik begeleid jullie alleen maar.”

En ik zie in gedachten voor me hoe ik machteloos zal toezien hoe Gert, als Sven Kramer na de foute wissel in Vancouver, eindeloos zijn rondjes zal blijven schaatsen naar iets waarvan ik denk dat het alleen maar mis kan lopen.

„En wat vind je dan van mijn voorstel?”, vraagt Martinus ongerust.

Hij wil een roman schrijven over een man die aan het slot van het boek ontdekt dat zijn vrouw een robot is.

„Kun je het niet aan het begin zetten?”, stelt Hanna voor. „Of dat die man halverwege dénkt dat zijn vrouw een robot is en dat gaat uitzoeken?”

„De V van Verrassing werkt zelden aan het eind van een roman”, zeg ik, en ik trek instinctief mijn hoofd tussen mijn schouders. Laat ze me maar vierendelen, uitlachen, aangeven bij de schoolleiding, naar Siberië verbannen.

„Zal ik thee voor je halen?”, vraagt Gert. „Met extra veel suiker?”

„Heel graag Gert”, zeg ik.

Nicolien Mizee geeft les op de Schrijversvakschool in Amsterdam. Ze laat zich inspireren door haar leerlingen.