Voor een prijs zullen we alles eerlijkdelen

Bedrijven als Airbnb en Uber krijgen een voorkeursbehandeling omdat de overheid ze als onderdeel van de deeleconomie ziet. Er is echter niks altruïstisch aan deze innovatieve bedrijven, betoogt Peter Teffer.

Illusratie Tjarko vander Pol illustratie tjarko van der pol

Het kan zijn dat ze het hebben gemist in Silicon Valley. Maar áls de bazen van Airbnb en Uber de Kamerbrief van minister Henk Kamp (VVD, Economische Zaken) van 20 juli 2015 hebben gelezen, dan is er misschien wel een champagneflesje geopend. Met zijn brief zet Kamp de deur wijd open voor bovengenoemde „digitale platformen die nieuwe vormen van consumptie faciliteren zoals de deeleconomie”. Hippe technologiebedrijven hebben ruimte nodig om te innoveren; de overheid moet hen niet te veel in de weg zitten, is de strekking van de brief.

Maar door bedrijven als Airbnb en Uber kritiekloos te scharen onder de ‘deeleconomie’, stapt de minister in het frame dat zij voor zichzelf hebben gecreëerd. De term ‘delen’ roept beelden op van een vriendelijke, utopische wereld, waar mensen met bloemen in het haar elkaar ritjes geven of uitnodigen om bij hen te logeren. En hoewel er vast genoeg mensen zijn die niet voor het geld hun appartement of achterbank beschikbaar stellen, krijgen de websites die vraag en aanbod aan elkaar koppelen een percentage.

Niet dat er iets mis mee is, maar laten we niet doen alsof Airbnb uit altruïsme het wiel heeft uitgevonden. Er bestaan al zeker vijftien jaar websites waar mensen een slaapplek kunnen vinden. Dat heet couchsurfing en het is gratis. Onmiskenbaar zijn sommige Airbnb-plekken veel beter dan hotels, maar zodra er geld in het spel is, kunnen we moeilijk volhouden dat we iets ‘delen’. Dan is het gewoon huren, of leasen, of ‘betalen voor toegang’. Tenzij we het woord ‘delen’ anders gaan definiëren en voortaan zeggen: ik ga vandaag een trein delen met de NS om in het stadion een voetbalwedstrijd te delen – maar eerst even voor een kwartje een toilet delen.

Dat Kamp en andere politici accepteren dat ook commerciële bedrijven onder de deeleconomie kunnen worden geschaard, is een fijne pr-overwinning voor die bedrijven. En ook het uit Silicon Valley gepropageerde argument dat regels moeten wijken voor innovatieve bedrijven is aangekomen in Den Haag. „Regels kunnen ook een vertragende of verhinderende werking hebben op innovatie en verouderd raken door technologische en maatschappelijke ontwikkelingen”, schrijft Kamp. Het is bijna een kopie van wat Uber-lobbyist Antoine Aubert onlangs zei tijdens een conferentie in het Europees Parlement, toen hij de Europese instellingen opriep, „om ervoor te zorgen dat innovatieve diensten als de onze niet met overdreven beperkingen worden geconfronteerd”. Die conferentie werd begin juli georganiseerd door een aantal Europarlementariërs van de Britse Conservatieven.

Kamp schrijft ook dat sommige regels die publieke belangen waarborgen niet meer nodig zijn. Ze zouden kunnen worden vervangen door het bij techbedrijven zo populaire ‘reputatiemechanisme’ van gebruikersrecensies. Slechte Uberpop-chauffeur? Dan krijgt hij zoveel slechte recensies zodat hij voortaan geen klanten meer krijgt, is het argument. Maar het probleem is dat het recensiesysteem in handen is van Uber, een commercieel bedrijf dat niet onafhankelijk is. Willen we een bedrijf vertrouwen met het uitvoeren van dergelijke arbitrage over zijn eigen dienst? Dat lijkt me problematisch, zeker aangezien digitale bedrijven geheimhouden hoe hun software beslissingen neemt en geregeld de voorwaarden voor het gebruikmaken van hun diensten eenzijdig aanpassen.

Ook zorgwekkend is wat de ‘deeleconomie’ zou doen met arbeidsrechten. Wat garandeert bijvoorbeeld een Uberpop-chauffeur dat Uber niet eenzijdig de prijs halveert, vroeg ik Uber-lobbyist Aubert. Hij gaf niet direct antwoord, maar zei dat Uber geen „banen” creëert, maar „werk”. Met andere woorden, Uberpop-chauffeurs zijn zzp’ers en zoeken het zelf maar uit. De Britse Europarlementariër Daniel Dalton sloot zich daarbij aan: Als Uber-chauffeurs plots minder gunstigere voorwaarden zou bieden, dan zal er wel een concurrent opstaan die weer betere voorwaarden biedt. Wat opviel bij die bijeenkomst in het EP, is dat het heilige geloof van Silicon Valley in de oplossingskracht van technologie zo goed past bij het neoliberale gedachtegoed van Conservatieven-icoon Margaret Thatcher.

Dan moet er wel een ideale vrije markt van vraag en aanbod zijn. Maar de internetindustrie werkt niet op die manier, weten we al enige tijd. Vanwege iets dat het ‘netwerkeffect’ wordt genoemd, groeien bepaalde sectoren automatisch naar een monopolie. Facebook is overgebleven als het grootste sociale netwerk, omdat bijna iedereen er gebruik van maakt. Maar juist daarom is het moeilijk om een concurrerend sociaal netwerk op te zetten. Dat alternatief zou dan namelijk alle leden tegelijk moeten overhalen om over te stappen. Zolang je vrienden en familie nog niet op dat alternatieve netwerk zitten, heb je er namelijk niets te zoeken.

Het is niet moeilijk om voor te stellen dat iets dergelijks ook met de zogenaamde deeleconomie kan gebeuren. Als Airbnb eenmaal de huizenverhuursite is geworden waar iedereen op kijkt, wordt het moeilijk om een concurrerend alternatief op te zetten.

De deeleconomie an sich is zeker niet iets verkeerds: ze kan een bijdrage leveren aan een beter milieu omdat bijvoorbeeld minder auto's geproduceerd hoeven te worden en de wereld iets socialer maken. Dat betekent echter niet dat bedrijven die door slimme marketing gezien worden als onderdeel van die ontwikkeling, een voorkeursbehandeling verdienen.