Column

Roze dat eruitzag als oranje

Onlangs vertelde een vriend van mij dat hij in therapie zat. ‘Speciale, voor homo’s.’ Eén keer per week komen de mannen samen. Ze willen blijer worden met zichzelf. Ze herkennen elkaars verhalen: hoe saai het was om doktertje te spelen met de meisjes uit de klas, de coming-out, het verhuizen naar de stad waar je een homowereld vindt, wat fijn is maar klein. En altijd blijft het verbazingwekkend: hoe gek hetero de wereld is, terwijl niemand van een ‘heterowereld’ spreekt.

Mijn vriend glimt wanneer hij vertelt dat zijn moeder ‘tegenwoordig trots’ een COC-lidmaatschapspas in haar portemonnee heeft.

We bespreken wat dat is, trots, en waarom je je ouders trots zou willen maken, alsof je een schuld hebt af te lossen. „Misschien vindt elk kind het leven van zijn ouders stiekem mislukt en moet je die gedachte compenseren.”

Zaterdagmiddag trok ik de Amsterdamse binnenstad in. Een vriendin verzuchtte dat het zo lekker was om deze ene dag per jaar alle langslopende meisjes diep in de ogen te mogen kijken.

Trots was in dit geval vooral de afwezigheid van schaamte.

Je had mensen die roze droegen en mensen die roze droegen. Er was het verwassen roze van het geluksshirtje dat al jaren meegaat, er was het roze dat tussen andere kleuren in glitter of in pruiken zat.

Met het ov kwam ook een ander soort roze de stad in: het fuchsia roze van vers aangeschafte, gestileerde frutsels, gedragen op zomerwitte kleren. Het was een roze dat eruitzag als oranje.

Bij het Homomonument op de Westermarkt werd gedanst. Kees danste zonder shirt, vuisten in de lucht. Over zijn borstkas liep een lang litteken, een overblijfsel van de tijd dat hij nog lesbisch was.

Was het zacht of vals dat die zalmroze streep mij ontroerde?

Ik zou pas trots zijn op mezelf als ik keek en niet meer zag dan wat Kees deed: dansen, een blote bast omdat het warm was.

Verderop in de menigte liep een vrouw zonder shirt en bh. Duimen werden opgestoken.

Ik zou pas trots zijn op mezelf als ik niet keek.

Op de terugweg naar huis, schuivend met mijn voeten door de grijze resten van het feest, haalde ik een ijsje. De jongste zoon zat achter de toonbank te gamen op zijn tablet. Wezens met stekels schoven vechtend over het scherm. De jongen schreeuwde. Hij hield de tablet in gestrekte armen boven zijn hoofd, zoals een sportheld zijn prijs.

Ik wilde een bolletje ‘Charlie’s yoghurt’. De eigenaar en vader schepte op. Het bleek gewoon yoghurtijs, maar dan vernoemd naar ene Charlie, een meisje dat, sinds de opening van de zaak in 2013, elke week een bolletje yoghurtijs kwam halen.

Zo kun je ook een eervolle plek behalen: door nooit af te wijken van je eigen smaak.

Simone van Saarloos