Nee, het wordt niet beter voor zwarte Amerikanen

Brak er onder Obama een post-raciaal tijdperk aan in de VS? Niet bepaald, laten drie belangrijke Afro-Amerikaanse schrijvers zien – in twee romans en een non-fictieboek. Ras is nog steeds een probleem.

Illustratie Aron Vellekoop Leon Illustratie Aron Vellekoop Leon

Amerika, vooral blank Amerika, leefde een paar jaar in een droom. Een nieuwe tijd was aangebroken, waarin de oude problematische rassenverhoudingen er niet meer toe deden. Het aantreden van Barack Obama, de eerste zwarte president, onderstreepte dat Amerika in een post-raciaal tijdperk was beland. Natuurlijk zijn er nog altijd verschillen tussen blank en zwart, maar die liggen eerder aan sociale klasse dan aan ras.

En toen brak de zomer van 2014 aan en ontstond de Black Lives Matter-beweging na de dood door politiegeweld van de zwarte tiener Michael Brown. Een nieuwe generatie Afro-Amerikaanse leiders stond op. Zij rekenden af met de blanke idylle van vooruitgang, en met, zoals zij dat noemden, de neiging tot conformisme onder zwarte Amerikanen. Beide groepen zouden zich in slaap laten sussen door de woorden van Martin Luther King: ‘De boog van het morele universum is lang, maar ze buigt toe naar rechtvaardigheid.’

Het debat over ras is doodernstig, zeker vanuit blank perspectief. Niet alleen omdat de aanleiding zo serieus is, maar ook omdat een zwarte schrijver als Ta-Nehisi Coates ‘de Amerikaanse Droom verwerpt als onzinnig’, zoals de blanke New York Times-columnist David Brooks schreef. Brooks houdt nog vast aan die droom, het idee dat iedereen alles kan worden in Amerika. Hij erkent de ongelijkheid, maar: het wordt beter!

©

Zwart Amerika is dat stadium grotendeels voorbij. Ta-Nehisi Coates zet nu de toon, de schrijver en essayist uit West-Baltimore. Zijn boek Between the World and Me, geschreven als brief aan zijn tienerzoon, werd deze maand een bestseller. Zijn kijk op racisme is radicaal anders dan die van Brooks (of van president Obama). Het is geen kwaad dat te bestrijden valt, het zit volgens hem in de genen van de samenleving. De wereld van de ‘Dromers’, Brooks dus, denkt dat het idee achter Amerika uiteindelijk nobel en eerlijk is.

Iedere elite heeft een onderklasse nodig. Of die nu voortkomt uit slavernij, segregatie of achterstelling, het effect is hetzelfde, schrijft Coates. Hij beschrijft opgroeien in Baltimore als een angstaanjagende fysieke ervaring. Zijn hardhandige vader, de gangs in de straten en de beroerde scholen waren volgens Coates uitingen van hetzelfde geïnstitutionaliseerde racisme.

Een kernbegrip van Coates is plundering. Zwarte lichamen werden geplunderd op de slavenplantages, en tegenwoordig op straat, door de politie. Daarmee gepaard gaat een vernietiging van de zwarte identiteit, die volgens Coates ‘alles verklaart: van onze door crack verwoeste vaders, tot hiv, tot de gebleekte huid van Michael Jackson’. Between the World and Me is daarom niet alleen gefundeerde kritiek op structurele misstanden in de Amerikaanse samenleving. Het is ook een oproep tot zelfonderzoek: wat is ras?

Nergens voelt Coates zich thuis. Niet op straat, want hij kende de codes van de gangs niet. Niet op school, niet in de (volgens hem te milde) zwarte kerken. Dat thema van ontworteldheid, het zoeken naar een identiteit, is een bekend gegeven in Afro-Amerikaanse literatuur, denk maar eens aan Dreams From my Father van Barack Obama.

Een roman die zich afvraagt: ben je zwart als je er donker uitziet?

Het thema komt ook voor in enkele opmerkelijke romans van zwarte schrijvers die onlangs verschenen. Een daarvan, Mat Johnsons Loving Day, verschilt ook van Coates. De zoektocht naar identiteit is veel meer een proces van binnenuit, niet een gevecht met de boze buitenwereld. Johnson heeft reden niet te weten wie hij is. Hij heeft een zwarte moeder en een blanke vader, en loopt als ‘biraciale’ man voortdurend tegen identiteitskwesties aan.

©

Zijn nieuwe roman Loving Day is vederlicht van toon, en is tegelijk een wrange zoektocht naar wat ras betekent. Ben je zwart als je er donker uitziet? Of ben je pas zwart wanneer je je identificeert met zwarte cultuur? Als het eerste waar is, dan heeft de buitenwereld de beschikking over zijn identiteit. Is het tweede waar, dan heeft Rachel Dolezal, de vrouw die zich zwart noemde, maar onlangs door de mand viel als blank, gewoon een punt. Haar verweer was dat ze zich zwart voelt – identiteit hangt niet altijd samen met huidskleur.

In Loving Day moet tekenaar en graphic novelist Warren Duffy ontdekken wie hij is. Duffy heeft een blanke vader en zwarte moeder, net als Johnson, en gaat na het overlijden van zijn vader in diens huis wonen, in een zwarte wijk in Philadelphia. Daar moet Warren voortdurend aan code-switching doen. Voor hem zijn de conventies onder zwarte Amerikanen een raadsel. ‘Er zijn buurten waar je aangevallen kunt worden omdat je een andere man in de ogen kijkt. Er zijn ook buurten waar je aangevallen kunt worden omdat je niet het respect van oogcontact hebt getoond.’

In Philadelphia worden drie talen gesproken: blank Amerikaans, straattaal en brotherman, de taal van hoger opgeleide zwarten. Als Warren met een zwarte collega praat, is hij zich er bewust van dat zijn codewoorden veranderen. Hij gebruikt bijvoorbeeld het (zwarte) stopzinnetje Know what I’m saying? ‘Natuurlijk weet hij wat ik zeg. Ik zeg dat ik ook zwart ben. Ik zeg dat hij kan ontspannen, ik sta aan zijn kant. Hij hoeft zich geen zorgen te maken dat ik opeens iets racistisch zeg, alsof ik met een dolkstoot toesla.’

Tijdens het gesprek doet Warren deze ontdekking: ‘Mensen zijn niet sociaal, ze zijn tribaal. Ras bestaat niet, maar stammen zijn fucking echt.’ Het gevolg hiervan is dat de buitenwereld bepaalt wie je bent.

Warren ontdekt dat hij een 14-jarige dochter, Tal, heeft bij een blanke vrouw. Tal is joods, weet niets van Afro-Amerikaanse cultuur, maar Warren doet zijn best haar onder te dompelen in zwart Amerika. Hij wil haar naar een school met alleen zwarte kinderen sturen. Het is een ‘Afrocentrische school’, een schooltype dat bewustzijn over Afrika in de diaspora wil bijbrengen. Maar uiteindelijk kiest hij voor een zweverige school met gemengde kinderen.

Als hij zijn dochter inschrijft, moet een vragenlijst het dominante ras bepalen. ‘Was O.J. Simpson schuldig?’ ‘Welk ras had Jezus?’ En tot slot de strikvraag: ‘Noem je zwarte vrienden [minimaal drie].’ Warren weigert die laatste vraag te beantwoorden, waardoor hij automatisch ‘zwart’ wordt. Blanken, legt de directeur uit, vullen altijd ijverig hun zwarte vrienden in.

In dergelijke scènes, lichtvoetige, maar tragische misverstanden, blinkt Johnson uit. Warren omarmt schoorvoetend zijn biraciale achtergrond, maar kan die niet los zien van verlies. Het is in Amerika niet alleen lastig om zwart te zijn, het is soms ook handig, merkt hij op. Als je eenmaal in ‘Team Black’ zit, zegt hij, ‘is je lidmaatschap gegarandeerd. In de statuten.’

Een andere roman is kritische satire op progressief én zwart Amerika

Coates schreef een boek voor zijn zoon, al legt hij zoveel uit dat het boek vooral voor blanke lezers bedoeld lijkt. Loving Day lijkt ook blanke lezers op het oog te hebben. Dat ligt anders bij The Sellout van Paul Beatty. Het duizelt van de verwijzingen naar zwarte cultuur en de roman is moeilijk te volgen voor wie niet meteen weet wie Buckwheat van Little Rascals is, of George Washington Carver.

‘Misschien geloof je me niet, omdat ik zwart ben, maar ik heb nog nooit iets gestolen.’ Met die eerste zin zet Beatty de toon voor een duizelingwekkende satire over zwart zijn in Amerika.

©

The Sellout is een groteske satire op post-raciaal Amerika. Het is ook actueel. Beatty beschrijft de wereld van een zwarte man die alleen de achternaam ‘Me’ heeft. Hij groeit op in het agrarische stadje Dickens, in Californië. Zijn vader wordt, met een knipoog naar de actualiteit, zonder aanleiding in zijn auto doodgeschoten door de politie. Tot overmaat van ramp trekken alle inwoners weg uit Dickens. Me probeert zijn stadje te redden door de verhoudingen van vroeger te herstellen. Hij voert de slavernij weer in, zorgt ervoor dat de scholen gesegregeerd zijn, en creëert zwarte, blanke en latino-buurten.

Me’s slaaf, Hominy, moet marihuana verbouwen. En hoewel Me hem vaak vrij wil laten, weigert de stokoude Hominy dat. ‘Massa, soms moeten we gewoon doen waar we voor voorbestemd zijn’, zegt hij. Me komt erachter dat een slaaf niet alleen maar handig is. ‘Net als kinderen, honden, dobbelstenen, beloftevolle politici en hoeren, doen slaven niet wat je van ze verlangt.’ Niks plantagemelancholie. Het valt hem tegen. Uiteindelijk moet Me zich voor het Hooggerechtshof in Washington verantwoorden. De conservatieve zwarte rechter Clarence Thomas doorbreekt zijn legendarische zwijgzaamheid met één vraag: Nigger, are you crazy?

The Sellout is te lezen als harde kritiek op progressief én zwart Amerika. Beide groepen hebben zichzelf in slaap laten sussen tijdens decennia van stilstand. De les van Beatty, zei Mat Johnson onlangs, is dat hij bijt én geestig is. ‘Zijn werk is een prachtige herinnering aan het feit dat zelfspot veelzeggender is dan tegen iedereen schreeuwen.’