Naming & shaming past de bestuursorganen niet

Met het schandpalen van bedrijven voegt de overheid leed toe buiten de rechter om, aldus Cees van de Sanden en Heleen Peters.

Naming en shaming door overheden wordt steeds populairder. Zo worden met ingang van 1 juli 2015 voortaan ook boetebesluiten op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) vrijwel meteen openbaar gemaakt.

Dit gebeurt in beginsel zonder dat eerst een onafhankelijke rechter de overtreding en verwijtbaarheid heeft vastgesteld. Dat zo’n bekendmaking erg schadelijk is voor de reputatie van de betreffende onderneming spreekt voor zich. Wanneer later blijkt dat de boete onterecht is opgelegd, is het op grond van dezelfde wet uiterst lastig om geleden imago- en andere schade vergoed te krijgen, laat staan te herstellen. Wij vinden naming en shaming dan ook uitermate onwenselijk.

De wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen, waarin naming en shaming onlangs is geïntroduceerd, is unaniem door het parlement aangenomen. Hierin is bepaald dat voortvarende openbaarmaking van de opgelegde boete hoofdregel is. Daarvan kan slechts (tijdelijk) worden afgeweken indien de veronderstelde overtreder binnen tien werkdagen een schorsingsverzoek indient bij de voorzieningenrechter.

Hoewel de wet dit niet met zoveel woorden vermeldt, valt te verwachten dat de openbaarmaking slechts voortduurt wanneer de voorzieningenrechter de overtreder voorlopig in het gelijk stelt. Van openbaarmaking wordt eveneens afgezien wanneer dit door de minister strijdig wordt geacht met het doel van de naleving van de betreffende regels. Hiervan zal naar verwachting niet snel sprake zijn.

Het is goed dat er handhavend wordt opgetreden wanneer er sprake is van overtreding van een wettelijk voorschrift. De wet kent verschillende manieren om dat te doen die elk binnen hun eigen rechtsgebied met waarborgen zijn omkleed. Het bestuursrecht, inclusief de Wet arbeid vreemdelingen, kent een aantal herstelsancties die zijn gericht op ongedaanmaking van de overtreding.

Daarnaast kent het de mogelijkheid om ook bestraffend op te treden door middel van het opleggen van een bestuurlijke boete. De afgelopen jaren is daarnaast steeds vaker gebruik gemaakt van allerlei buitenwettelijke instrumenten zoals naming en shaming van de veronderstelde overtreder. De wetswijziging geeft deze vorm van leedtoevoeging in de Wet arbeid vreemdelingen een wettelijke grondslag. Desondanks kleven er fundamentele tekortkomingen aan nu voldoende waarborgen ontbreken.

In de gewijzigde Wet arbeid vreemdelingen wordt een boetebesluit openbaar gemaakt, maar dit gebeurt ook wanneer is geconstateerd dat er geen overtreding was. Op basis van onderzoek door de toezichthouder, volgt zonder enige rechterlijke toets de publieke schandpaal. In het strafrecht is dat anders. De politie verricht het onderzoek, waarna de officier van justitie een vervolgingsbeslissing neemt. Bij niet (verdere) vervolging wordt dit aan de (ex)verdachte kenbaar gemaakt, maar in de regel niet in de publiciteit gebracht. Van ‘openbaarmaking’ is daarbij in principe geen sprake.

Hetzelfde geldt ook wanneer verdere vervolging leidt tot een vrijspraak door de rechter. Ook indien een verdachte (wel) wordt vervolgd zal door het Openbaar Ministerie over het algemeen, niet vóór maar ook niet na de uitspraak, aan naming en shaming worden gedaan.

In ieder geval is openbaarmaking ook dan geen hoofdregel. Van naming en shaming, is in het strafrecht dus juist geen sprake.

Daar komt bij dat het strafrecht aan de andere kant waarborgen kent, die het bestuursrecht juist ontbeert. De belangrijkste daarvan is de mogelijkheid om de rechter, nadat de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel, te vragen een schadevergoeding toe te kennen.

In de regel betekent dit dat een verdachte aan wie geen straf of maatregel is opgelegd, bijvoorbeeld omdat hij is vrijgesproken, recht heeft op schadevergoeding. In het strafrecht is er dan weliswaar geen wettelijke verankerde naming en shaming, maar wel een mogelijkheid tot schadevergoeding achteraf.

Naming en shaming achten wij onnodig en onwenselijk. De Wet arbeid vreemdelingen introduceert dit instrument desondanks en zet daarmee veronderstelde overtreders voortijdig aan de schandpaal. Er vindt in beginsel geen rechterlijke toetsing plaats.

Wij vinden het dan ook beter om deze boetebesluiten pas openbaar te maken nadat ze onherroepelijk zijn geworden. Daarnaast dient schade die het onrechtmatige gevolg is van voortijdige openbaarmaking door de betreffende overheid snel en adequaat te worden vergoed. Dit compenseert nodeloze bedrijfsschade en weerhoudt bestuursorganen ervan om al te voortvarend tot naming en shaming over te gaan.

Uit een zeer recente uitspraak van de rechtbank Breda blijkt dat talloze boetes onterecht zijn opgelegd. Terughoudendheid met openbaarmaking is dan ook geen luxe maar noodzaak.