Mannen van het Metal-Oosten

In Irak was heavy metal maken lange tijd verboden, en vooral: levensgevaarlijk. Toch richtte een stel vrienden in het geheim Acrassicauda op. Nu is er een album. Het verhaal van de eerste metalband van Irak.

Bij heavy metal horen stoere teksten. Flink boos, liefst over leven en dood, en lekker dramatisch. Denk er razendsnelle gitaarriffs bij, knalharde drums en dreunende bastonen. Zo zijn er honderden bands, duizenden. Maar menen die het ook? Acrassicauda wel, een metalband uit een land waar heavy metal maken verboden en levensgevaarlijk is: Irak.

Onlangs brachten ze in ballingschap in de Verenigde Staten hun eerste album uit. Zij weten precies wat het verschil is tussen leven en zinloos sterven. Pijn, schaamte, bloedvergieten en de angst dat het ergste nog moet komen – het slaat op hun leven.

Als heavy metal in Irak zo gevaarlijk is, hoe zijn ze dan metalheads geworden? „In de jaren zeventig was het een moderner land”, vertelt Acrassicauda-drummer Marwan M. Hussein (30) via Skype vanuit zijn appartement in Brooklyn. „Mijn vader hield van Frank Sinatra, en liet me eens een film zien over Buddy Rich, de drummer van Sinatra. Toen ik dat zag, wilde ik ook drummer worden.”

Marwan en zijn bandmaten wonen sinds 2009 in de VS, waar ze hun liefde voor harde muziek in vrijheid kunnen botvieren.

Zanger Faisal Talal, bassist Firas Al Taleef, gitarist Tony Aziz Yaqoo en Marwan groeien in Bagdad op als monniken zonder klooster. Er is geen drank, er zijn nauwelijks drugs voorhanden, de meisjes zijn onbereikbaar en er bestaan al helemaal geen platenzaken waar je even het nieuwe album van Slayer kunt aanschaffen. Al was het maar vanwege de sancties die de Verenigde Naties hebben ingesteld na de invasie van Koeweit in 1990. Medicijnen en eten mogen in Irak worden geïmporteerd, de rest niet.

Metal is bovendien verboden tijdens de dictatuur van Saddam Hussein. Het is westers, dus satanisch. De risico’s zijn serieus: overtreders van de strenge wetten kunnen worden opgepakt door de geheime politie. Mensen worden gemarteld, verkracht, gedeporteerd, vermoord of verdwijnen gewoon.

Het lukt de jongens, allen een jaar of 15, toch om af en toe wat gesmokkelde bootlegtapes met westerse metal te bemachtigen. Metallica, Black Sabbath, Sepultura, Megadeth, dat werk. Die cassettebandjes verspreiden zich in rap tempo onder hun vrienden. Iedereen kopieert ze en de laatste die zo’n bandje krijgt, moet het doen met waardeloze kwaliteit en fouten in de namen – maar ze zijn goed genoeg om op te kunnen headbangen. Ze luisteren tot ze verslaafd zijn, en zelf metal willen maken.

Dat is niet de bedoeling. „Alleen een gitaar of drumstokjes vasthouden werd al niet getolereerd,” zegt Marwan. „Maar we waren jong, we wilden doen wat we zelf wilden. En eigenlijk was het gewoon een manier voor ons om een beetje te hangen, als vrienden.”

Als plek om te hangen huren ze in 2000 een kleine oefenruimte. Voor elke repetitie nemen ze een jerrycan benzine mee, om de generatoren te laten draaien waar hun instrumenten van afhankelijk zijn. Ze kalken logo’s van hun favoriete bands op de muur en ze dempen met oude dekens hun instrumenten, om gedoe met de buren te voorkomen. Met de gesmokkelde tapes oefenen ze hun Engels, tegelijk met hun riffs.

Daar hoort een lekker brute naam bij: A. Crassicauda, voor Androctonus crassicauda. Dat is een gevaarlijke, zwarte schorpioen die in de woestijn rond Bagdad voorkomt – later berucht onder zowel rebellen als coalitiesoldaten in Irak. Het beest is dodelijk en opgewassen tegen de meest extreme omstandigheden. Een passende naam voor de eerste metalband van Irak.

En zo worden ze metalheads. Maar zonder op te vallen. Want lang haar mag niet. Een sik evenmin. Dat lijkt allemaal te veel op satanisme. Draag liever een brave, islamitische baard. Headbangen is ook uit den boze. Dat lijkt weer te veel op wat orthodoxe joden doen bij hun gebed. Een rock-concert (geen metal) kan in die tijd soms nog wel, mits er minstens één liedje aan Saddam wordt opgedragen, met een passende tekst voor de grote leider.

Acrassicauda wil graag optreden, en dus pleasen ze. Ze schrijven ‘The Youth of Iraq’: Following our leader Saddam Hussein, we’ll make them fall, we’ll drive them insane! Muzikaal niet eens echt slecht, vinden ze later.

Drie jaar later. Op 20 maart 2003, vroeg in de ochtend, vallen de eerste Amerikaanse bommen op Bagdad. George W. Bush kondigt aan dat hij de aanval op Irak heeft ingezet met een ‘coalition of the willing’. 148.000 militairen uit de VS, 45.000 Britse militairen, 2.000 Australiërs, 194 uit Polen, plus 70.000 Koerden.

Een voor een vallen de steden in handen van de westerse coalitie. Nasiriyah, Najaf, Basra, Karbala. Na drie weken valt ook Bagdad, op 9 april. Meteen die dag wordt het twaalf meter hoge standbeeld van Saddam Hussein omvergehaald door Amerikaanse troepen. Het stond er precies een jaar.

Saddam zelf vlucht en duikt onder. Hij probeert te doen wat hij zijn volk ruim twintig jaar liet doen: niet opvallen. Hij laat een lange, grijze baard staan en laat ironisch genoeg zijn haar wat groeien. Op 13 december 2003 wordt hij door Koerdische en Amerikaanse troepen uit een primitieve ondergrondse ruimte getrokken, iets ten zuiden van Tikrit. Hij zal worden opgehangen.

Acrassicauda hoeft ‘The Youth of Iraq’ nooit meer te spelen en ze hopen op meer vrijheid. Het is kortstondig rustig, maar in het machtsvacuüm, mede gecreëerd door het desastreuze beleid van de Amerikanen, breekt sektarisch geweld uit in het hele land. De burgeroorlog wordt snel gewelddadiger, met scherpschutters, bomaanslagen, massamoorden.

De schattingen over het aantal burgerdoden in die eerste jaren lopen uiteen van 150.000 tot meer dan een miljoen. Iedereen let op iedereen. Met een shirt van Metallica de straat op gaan is praktisch zelfmoord. Scherpschutters schieten op alles wat ze niet bevalt.

Rond 2005 vallen er honderd burgerdoden per dag. De bandleden blijven zoveel mogelijk binnen. Twee jaar lang zien ze elkaar weinig. Het Amerikaanse tijdschrift Vice volgt de band en helpt ze met de organisatie van een concert. De veiligheidsmaatregelen rond die show zijn extreem. Voor de deur van het Al-Fanar hotel zijn betonnen afzettingen en dikke, mobiele wanden neergezet die moeten beschermen tegen zwaar geschut, en zodat niemand er met een wagen vol explosieven op in kan rijden. De bedreigingen die de band krijgt zijn serieus. Fundamentalisten denken dat ze de duivel vereren, al helemaal na de publicatie in Amerika van Vice.

Maar binnen heerst vrijheid. Er duikt publiek op. Die zijn er met gevaar voor eigen leven, maar dolgelukkig. Dat af en toe de stroom uitvalt deert niemand. Pinken en wijsvingers gaan omhoog – het internationale teken van heavy metal. Het is het laatste concert in Bagdad van Acrassicauda.

Niet veel later slaat een raket in op hun oefenruimte. Geen idee waarom of door wie. Het gebouw is verwoest, er zijn doden gevallen. Bassist Firas vindt na een dag graven hun instrumenten in stukken terug.

Het is het begin van diepe uitzichtloosheid. Hun muzikale ambities liggen in puin, en de onderdrukking wordt erger. Bovendien wordt de stad geteisterd door autobommen, luchtbombardementen en mortierinslagen. De doodsbedreigingen blijven komen, iedereen die er afwijkend uitziet, wordt in die tijd gruwelijk afgeslacht. De bandleden vluchten.

Ze bereiken met z’n allen het toen nog stabiele Syrië. Firas neemt zijn vrouw en baby mee. De bandleden worden belazerd en beroofd tijdens een levensgevaarlijke busrit door de woestijn. Zestien uur lang zitten ze in doodsangst.

In die periode komen er drieduizend Irakezen per dag Syrië binnen. Ze zijn er „minder dan nul”. De Syriërs moeten ze niet, het werk dat ze er kunnen krijgen – illegaal – betaalt nauwelijks. Reizen mag niet. Ze wonen in Damascus in een aftands gebouw ver van het centrum, in appartementjes zonder ramen.

Ze zijn er wel veiliger. Ze kunnen er zelfs een show geven met wat covers van Guns N’ Roses – géén heavy metal, dat is ook in Syrië verboden. De toeschouwers zijn evengoed door het dolle. Ook zij zien nooit een rockband live. De Irakezen kunnen in Damascus bovendien een paar nummers voor een demo opnemen met van een Turkse band geleende spullen.

Maar dan verandert plots het beleid. Syrië bepaalt dat Iraakse vluchtelingen in Bagdad opnieuw een visum moeten aanvragen. Dat zit er niet in: de fundamentalisten wachten de jongens op.

Ze komen in Turkije terecht, waar ze zich anderhalf jaar redden tot Vice in 2007 een prijswinnende documentaire over de band uitbrengt: Heavy Metal in Baghdad. Acrassicauda is in één klap beroemd. Dat maakt het nog moeilijker om terug te keren. Maar tegelijkertijd wordt het makkelijker een grote stap te maken: ze vragen asiel aan in de Verenigde Staten. Met succes.

In januari 2009 komt Marwan als laatste aan in de VS. Daar lopen de bandleden van Acrassicauda in zwarte metalshirts met stoere logo’s, en natuurlijk komt hun haar nu voorbij de schouders. Zanger Faisal heeft een lange sik laten staan.

Ze maken de EP Only the Dead See the End of the War, waarmee ze door de hele VS toeren. De legendarische band Ministry laat ze in hun voorprogramma spelen in New York, waar de zanger voor duizenden fans roept dat Acrassicauda zijn favoriete band is. Ze ontmoeten meer helden: Testament, Slayer, en ze zijn te gast bij een concert van Metallica. Van zanger James Hetfield krijgen ze een gitaar. Gitarist Tony Aziz neemt die in ontvangst, maar weet niks uit te brengen. Hetfield lacht: „Welcome to America.”

En Amerika verwelkomt ze. Eerst als vluchtelingen, nu als echte Amerikanen. Marwan heeft een appartementje in Brooklyn. Zodra hij aan de Nederlandse kant van de Skype-verbinding een T-shirt van de Zweedse metalband Opeth ziet, maakt hij een stopgebaar met zijn hand en loopt hij weg. „Wacht, wacht.” Als hij terugkomt heeft hij ook een Opeth-shirt aangetrokken. Met brede lach: „Ik heb ze hier in Amerika twee keer gezien. Ik had nooit gedacht dat dat zou gebeuren.”

En wie had gedacht dat zijn grootste wens in vervulling zou gaan: een professioneel opgenomen, eigen album. Acrassicauda heeft onlangs Gilgamesh uitgebracht. Financiering kwam door een Kickstartercampagne, waarbij fans werd gevraagd vooraf geld te steken in het album in ruil voor een tegenprestatie, afhankelijk van de donatie.

Marwan regelde alles zelf. De site, interviews, Facebook, en de release en distributie van het album. Hij gaf er z’n baantje in een restaurant in New Jersey voor op.

„We zijn er nog niet natuurlijk. Maar, het gaat ‘so far so good’ met de plaat. We willen op reis, en een nog veel groter publiek bereiken om onze verhalen aan te vertellen.”

Er blijft één grote droom over: weer optreden in Irak. Maar Marwan heeft weinig hoop voor Irak. De fans daar krijgen een link om het album gratis te downloaden.

Gilgamesh is opgedragen aan Bagdad. Op de achterkant van het album staat: ‘May peace find it’s path back to you.’ „Nu het album er is kunnen mensen ons natuurlijk nog steeds zien als vluchtelingen. Maar wel als vluchtelingen die hun rug recht hielden. Die gingen voor wat ze belangrijk vonden.”