Boeken

Grip op het leven houden? Vertrouw op je geest en je goedheid

Illustratie Hajo

Pieter Steinz heeft ALS, een zeldzame neurologische ziekte waarbij je in toenemend tempo verlamd raakt. In deze serie verbindt hij het verloop van zijn ziekte met de boeken die hij (her)leest. Vandaag ‘Over de vertroosting van de filosofie’ van Boëthius’.

De zesde-eeuwse filosoof Anicius Manlius Severinus Boëthius was een machtig man: senator en consul in het koninkrijk van de Ostrogoten die in 475 Rome hadden veroverd, vader van twee zoons die ook consul werden, topambtenaar onder Theodorik de Grote, vooraanstaand vertaler van Aristoteles en Plato. Maar in 523 werd hij vals beschuldigd van hoogverraad en gevangengezet in Pavia, in afwachting van zijn executie, die in 524 zou volgen.

Wie hoog zit kan diep vallen, luidt het spreekwoord, maar daar nam Boëthius geen genoegen mee. Het ongeluk dat hem getroffen had, riep ten minste twee belangrijke vragen op: waarom was juist hij, een rechtvaardig en deugdzaam man, de klos en hoe kon een goede God zulk onrecht toestaan? In de gevangenis schreef hij een bijzondere verhandeling – een essay, afgewisseld met poëzie – om daar een antwoord op te vinden. Hij beschrijft hoe hij bezocht wordt door een mooie vrouw, Filosofie, die zijn neerslachtigheid als een ziekte ziet en hem door middel van gesprekken probeert te genezen. Zij leert hem dat roem en rijkdom onderhevig zijn aan de grillen van Vrouwe Fortuna; ieder mens zit in haar grote rad, de ene keer boven en dan weer onder. Het enige waar Fortuna geen vat op heeft, is je geest en je goedheid – die moeten genoeg zijn om je overal doorheen te slepen.

Vijftig columns

De consolatione philosophiae heet Boëthius’ Latijnse traktaat, ‘Over de vertroosting van de filosofie’. Het werd al snel populair en had een grote invloed op het middeleeuwse wereldbeeld, waarin fatalisme (‘de orde der dingen’) en het ideaal van deugd boven wereldlijk succes belangrijk waren. Ik las het 32 jaar geleden, omdat ik geschiedenis studeerde, maar vooral omdat Boëthius het grote voorbeeld was van de hoofdpersoon van mijn favoriete satirische roman, A Confederacy of Dunces van John Kennedy Toole. De filosofie ging me af en toe boven de pet, maar het verhaal van een soort Elckerlijc die zijn heil zoekt bij een sexy filosofe sprak me erg aan – zeker in het licht van Boëthius’ dramatische dood.

Nu ik de vergeelde en verdroogde Penguin Classic met de vertaling van V.E. Watts weer ter hand neem, is het verleidelijk om te zoeken naar parallellen met mijn huidige situatie. Ik mag dan niet in God geloven en niets of niemand de schuld geven van mijn ziekte, ook ik was de ene dag on top of the world en de volgende dag een afgeschreven patiënt; mijn bakje aan het rad van fortuin daalt onherroepelijk naar het laagste punt en zal daarna niet meer naar boven gaan. En hoewel ik anders dan Boëthius omringd word door gezin, familie en vrienden, heb ik de afgelopen anderhalf jaar ook steun gezocht bij een abstractie, namelijk de literatuur.

Na vijftig columns over ‘lezen met ALS’ mag je natuurlijk de hamvraag stellen: bestaat er zoiets als de troost van de literatuur? Goede boeken verzetten de zinnen. Ze behoeden je voor verveling (als ze spannend zijn), ze vrolijken je op (als ze grappig zijn, of juist als ze heel droevig zijn, als een soort homeopathie), ze zetten je aan het denken en ze verplaatsen je naar andere werelden. Dat laatste is vooral handig wanneer je, zoals ik, min of meer aan huis gekluisterd bent. De romans die de afgelopen tijd bij lezing of herlezing de meeste indruk op me gemaakt hebben, zijn de romans die stevig geworteld zijn in het land of de streek waar ze zich afspelen – plaatsen die ik ken van reizen of vakanties: de Zwitserse bergen in Manns De Toverberg, de hete Midi in Süskinds Het parfum, het snelle New York van McInerney, het monumentale Rome van Hadrianus. Het grootste feest van herkenning was The Debt to Pleasure van John Lanchester, een roman over een wraaklustige gastronoom die ik op geen enkele manier in verband kon brengen met mijn ziekte, maar die geweldige beschrijvingen geeft van Normandië en Midden-Frankrijk en van de heerlijke gerechten die ze daar op de kaart zetten.

Literatuur is een mood changer, een tijdmachine, een touroperator, een herinneringsactivator. Maar kan ze ook daadwerkelijk troost bieden, zoals de filosofie dat kon in het geval van Boëthius? Kunnen boeken pijn stillen of wanhoop wegnemen? Kunnen ze je verzoenen met het feit dat je gaat sterven? Misschien wel, maar ik moet zeggen dat ik niet de aangewezen persoon ben om dat te beoordelen. Op een paar dagen van aanhoudende pijn na (waar geen boek tegen opgewassen was) heb ik geen momenten van wanhoop gekend, en van begin af aan heb ik berust in het feit dat Vrouwe Fortuna me een dodelijke ziekte heeft toebedeeld. Het leven is nu eenmaal een rad van fortuin; in het licht van het leed op de wereld kun je niet verwachten dat je bakje altijd op het hoogste punt blijft.

Over de troost van het lezen heb ik dus weinig te zeggen. Daar staat tegenover dat ik me de afgelopen twee jaar niet zou kunnen voorstellen zonder mijn favoriete boeken. En als er iets is waar ik plezier aan heb beleefd, dan was dat wel het schrijven over de boeken waarvan ik hou. Dat mag met recht een vertroosting genoemd worden.

Blogger

Pieter Steinz

Pieter Steinz (6 oktober 1963 - 29 augustus 2016) werkte van 1989 tot 2012 bij NRC Handelsblad, onder meer als literair redacteur en chef Boeken. Hij schreef ruim vijftien boeken, waaronder Lezen etcetera (2003) en Made in Europe (2014).