‘Euthanasie vaak zonder toestemming’

Dat schreef vorige week The Washington Post

Foto Roos Koole/ANP

De aanleiding

In een filmpje dat deze maand opdook is te zien hoe een afdelingshoofd van een abortuskliniek in de VS tijdens een lunchmeeting de verkoop van weefsel van geaborteerde foetussen bespreekt. Ze drinkt rode wijn, prikt af en toe in haar salade. Het gesprek, dat vorig jaar zou hebben plaatsgevonden, was niet met een potentiële zakenpartner, zoals ze dacht, maar met anti-abortusactivisten. Het filmpje is ruim 2,6 miljoen keer bekeken.

Pulitzerprijswinnaar Charles Krauthammer wijdde er zijn wekelijkse column in The Washington Post aan. „In Nederland heeft eenzelfde soort afstompingsproces plaatsgevonden bij een andere grootschalige uitoefening van levensbeëindiging: hulp bij zelfdoding. Het begon als een manier om het lijden van terminale zieken te voorkomen. Het is nu zo wijdverspreid en ongeremd dat eenvijfde van alle Nederlandse patiënten die hulp bij zelfdoding krijgen, wordt geëuthanaseerd zonder hun expliciete toestemming.”

En, klopt het?

In Nederland is euthanasie en hulp bij zelfdoding sinds 2002 toegestaan, maar alleen op uitdrukkelijk verzoek van de patiënt. Het verzoek moet met het volle verstand gedaan worden en er mag geen andere redelijke oplossing mogelijk zijn. Naast de eigen arts moet ten minste één onafhankelijke arts het verzoek goedkeuren. Onvrijwillige euthanasie komt volgens de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde in Nederland dan ook niet voor. Iemand euthanaseren zonder zijn toestemming, dat zou wettelijk gelijkstaan aan moord.

Toch is het getal dat Krauthammer noemt wel degelijk ergens op gebaseerd. Zijn onderzoeksassistent verwijst naar een evaluatie van de Nederlandse Euthanasiewet uit 2007. 1,8 procent van het totale aantal sterfgevallen in 2005 kwam door euthanasie of hulp bij zelfdoding. En 0,4 procent van alle sterfgevallen kwam door het toedienen van middelen om het leven te beëindigen „zonder uitdrukkelijk verzoek van de patiënt”. Afgerond: eenvijfde van alle gevallen van levensbeëindiging.

Een arts kan bijvoorbeeld voor levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek kiezen om langer lijden te voorkomen van een baby met beperkte levenskansen. De mate van levensbekorting was volgens het onderzoek meestal minder dan een week.

De onderzoekers schrijven ook dat de patiënt „in de meeste gevallen weliswaar geen uitdrukkelijk verzoek had gedaan, maar [dan] had de arts het handelen wel met de patiënt besproken”. Toch neemt de arts een risico, omdat levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek bij wet verboden is.

De cijfers die Krauthammer gebruikte, zijn niet de meest recente. In 2010 daalde het aantal levensbeëindigingen zonder uitdrukkelijk verzoek naar minder dan eentiende van alle gevallen.

„De trend laat zien dat regulering van euthanasie niet heeft geleid tot een toename van levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek van de patiënt, zegt Bregje Onwuteaka-Philipsen, hoogleraar levenseindeonderzoek bij het VU Medisch Centrum. „Eerder tot een afname.”

Conclusie

In Nederland is euthanasie en hulp bij zelfdoding alleen toegestaan op uitdrukkelijk verzoek van de patiënt. Krauthammer gebruikte een andere definitie, maar ook als we die aanhouden zijn de cijfers achterhaald. We beoordelen de stelling als onwaar.