Duur medicijn vooral door duur onderzoek

Praat met de industrie, onderhandel hard, maar wees blij dat er goede medicijnen komen, vindt Henk Jan Out.

De farmaceutische industrie moet het weer flink ontgelden deze zomer. Diverse rapporten spreken van exorbitant hoge prijzen van nieuwe geneesmiddelen en het gebrek aan maatschappelijke verantwoordelijkheid van de sector. De kritiek komt vooral van ziekenhuisbestuurders. Zij worden immers geconfronteerd met afspraken tussen verzekeraars en overheid over beperkte groei van de budgetten, waaronder de zogenaamde dure geneesmiddelen. Op farmaceuten wordt graag gescholden, maar de kritiek van de bestuurders is dit keer erg gemakzuchtig. Hoe zou dat in zijn werk gaan? Wordt de strategie uitgezet tijdens een royaal gedeclareerd dinertje? Wouter, als jij nou in de Volkskrant wat gaat mopperen, dan doen wij NRC en stuurt Yvonne een brief naar de minister. De pers smult: alle clichés tegen de inhalige sector worden bevestigd.

Gevoelsmatig zijn de prijzen inderdaad veel te hoog. Maar de kritiek stelt alleen iets voor als we ook aangeven wat dan wel een redelijke prijs is. En daar gaat het fout. Niemand beschikt over een objectief referentiekader dat gebruikt kan worden om te bepalen of de prijs redelijk is. Vier ton, drie ton, of liever twee ton per patiënt per jaar? De politiek waagt zich niet aan uitspraken over wat een behandeling maximaal mag kosten. En de ziekenhuizen wekken de indruk bezorgder te zijn over hun financieringssystematiek waar dure pillen lastig zijn, dan over andere geldverslindende behandelingen. Waarom zijn er acht universitaire medische centra in Nederland? Waarom hebben we drie peperdure protonencentra nodig? Waarom introduceren we operatierobots waarvan het voordeel twijfelachtig is? Waarom maken we niet efficiënter gebruik van dure apparaten? Zijn al die screeningsprogramma’s op borst- en darmkanker werkelijk kosteneffectief? Daar bestaan inmiddels grote twijfels over. Hiermee zijn honderden miljoenen te besparen.

Velen geven aan dat de industrie meer inzicht zou moeten geven in haar kostenstructuur. Dan zou het makkelijker zijn om de prijs te beoordelen. Dit is een hardnekkig terugkerend argument waarvan de betekenis mij ontgaat. De grote farmabedrijven zijn beursgenoteerd en publiceren in hun jaarverslagen precies wat er binnenkomt en uitgegeven wordt. Kosten van onderzoek en ontwikkeling worden daar genoemd. Van de tien nieuwe medicijnen die voor het eerst bij de mens worden getest, wordt er slechts één goedgekeurd. Uitsluitend kijken naar de kosten van dat goedgekeurde geneesmiddel zegt dus niet zoveel. Daar zijn negen mislukkingen aan vooraf gegaan. In de VS is een nieuwe pil voor de behandeling van hartfalen goedgekeurd. De producent, Novartis, gaat 12,50 dollar per dag ervoor rekenen, dus ongeveer 4.500 dollar per jaar. Zo’n twee miljoen Amerikanen zouden ervoor in aanmerking komen. De inkomsten kunnen enorm zijn. Het bedrijf heeft een studie met meer dan 8.000 patiënten gedaan en bewezen dat het beter is dan de standaardtherapie. Die studie kostte honderden miljoenen. Hoe gaat inzicht in de exacte kosten van die studie ons helpen de prijs te bepalen? Wat voor rekenhulp gaan we vervolgens gebruiken om te bepalen of het niet goedkoper kan? Een uitzichtloze en weinig vruchtbare exercitie. Je kunt beter kijken wat zo’n middel oplevert voor de samenleving, bijvoorbeeld minder ziekenhuisopnames. Novartis heeft aangegeven dat het bereid is om te kijken naar pay-for-performance vergoedingen. Maar het niet-goed-geld-terugprincipe wordt door deze krant (8/7) gezien als „poetsen aan imago”. Het is ook nooit goed.

Praat met de industrie, onderhandel hard, maar laten we vooral blij zijn dat er geneesmiddelen komen die kwaliteit en kwantiteit van leven verbeteren. Die innovatie kost geld, maar levert ook veel op.