Column

Divagedrag

Wat is het summum van divagedrag? Ik vroeg het eens aan een opera-impresario en die gaf een prachtige anekdote over de Amerikaanse zangeres Kathleen Battle. Ze belde haar manager vanuit een limousine in New York om hem te vragen, nee te bevelen: „Regel dat de airco hier omlaag gaat!”

Dit was het summum, maar de impresario onderstreept dat het gemiddelde operadivagedrag eigenlijk altijd voortkomt uit de gedachte wereldberoemd te zijn. De veronderstelling dat iedereen naar je kijkt en bij je in het gevlij wil komen.

De rest van de wereld weet: dat is niet zo.

Bij dichters vind je dit soort waanvoorstellingen niet. Wellicht dat de jaarlijkse afrekening van de uitgeverij hen stevig op de grond houdt: verkoopcijfers van 150 exemplaren per bundel zijn gewoon. Poëziebundels beslaan 0,5 tot 1 procent van de totale verkoop van Nederlandse literatuur.

Maar bij de nazaten van poëten kan dat anders liggen. Dat bewijst een slepende rechtszaak die dit voorjaar ten einde kwam, toen het hof van Leeuwarden een uitspraak van een lagere rechter bevestigde. De weduwe van Rudi van den Hoofdakker, alias Rutger Kopland, wilde dat een stichting in Groningen afzag van de naam Kopland, die het had gekozen na een fusie in 2013. De niet-commerciële stichting biedt onderdak aan daklozen en slachtoffers van huiselijk geweld. Ook na het toevoegen van ‘het’ voor ‘Kopland’ bleef de weduwe onvermurwbaar: ‘Het Kopland’ mocht ook niet.

De stichting beweert dat het niet om een vernoeming gaat. Ze koos voor de naam omdat de stichting in ‘de kop van het land’ opereert, omdat de werkwijze aansluit bij de Groningse uitdrukking ‘kop d’r veur’ en omdat de cliënten van de stichting ‘een mentale transformatie’ moeten doormaken. Het Kopland: „In de kop moet het gebeuren”.

De associatie met de dichter was in vergadering wel opgekomen. Die vond de stichting „niet vervelend”, maar was „niet gezocht”. De directrice wist eerder niet wie Kopland was.

Als om te bewijzen dat de stichting jokte, liet de weduwe een onderzoek uitvoeren onder Groningers. De uitkomst hielp haar allerminst: de naamsbekendheid van Rutger Kopland bleek gering. Beide partijen interpreteerden de uitkomsten natuurlijk anders, maar wie ze even bestudeert ontkomt niet aan de conclusie dat minder dan 10 procent van de Groningers bij het woord Kopland denkt aan de in 2012 overleden dichter. Een P.C. Hooftprijs reikt ver in literaire kring. Daarbuiten niet.

Voor de rechter deed dat er overigens niet toe, zo blijkt uit het vlot lezende arrest. Voor het hof was belangrijk dat een weduwe niet de macht heeft organisaties te kiezen voor een vernoeming. „Zij vernoemt niet, dat doen anderen eventueel.”

Wie de processtukken leest, krijgt niet meer, maar minder begrip voor de weduwe. Hoe je het ook wendt of keert: ze vindt een daklozenopvang te min voor de naam van haar man. Bovendien verlaagt de vernoeming de kans dat andere instituten „als onderwijsinstellingen” de naam Kopland zullen voeren. Jakkes.

Zou ze dit echt vinden? Haar advocaat beweert het. Ik kan lezen.

En dus ging ik ook te rade bij Koplands gedichten. Het hielp niet. Al vond ik wel enkele regels die voor enige relativering kunnen zorgen, wat nooit kwaad kan bij kwade mensen die kwaad lijken om niets. Uit het gedicht Oneindig veel problemen: Alle gebeurtenissen bijvoorbeeld, ja alle,/ om ons heen en in ons, ze zijn gebeurd / en men vraagt waarom. / Vergeef mij mijn enige antwoord: waarom niet?