Zoek de verschillen tussen China en Japan

De prijzen van vastgoed zijn in het aanstormende Aziatische land volledig uit de hand gelopen. Jaren van niet vol te houden investeringen hebben gezorgd voor een enorme overcapaciteit bij door de staat gekoesterde conglomeraten. Het zicht in de hoofdstad is door de vervuiling soms niet meer dan vijftig meter.

Het economisch model van de nieuwkomer is gericht op investeringen en export en zal moeten worden omgevormd in de richting van binnenlandse consumptie. Westerse consumenten zijn intussen blij: de prijs van elektronische gadgets keldert naarmate het land zich meer en meer in de productie bekwaamt. Maar zij vrezen óók voor de eigen industrie die bezwijkt onder de vloed van producten op de wereldmarkt. Producten die voor een deel bedenkelijk veel geleend hebben van westerse uitvindingen en patenten. De angst heerst dat bedrijven en vastgoed door de kapitaalkrachtige nieuwelingen grootschalig zullen worden opgekocht.

Dan begint de tot duizelingwekkende hoogten opgestuwde beurs in het Aziatische land te wankelen. De staat grijpt in met opkoopoperaties van aandelen om de koersen te beletten verder te vallen. Dat mislukt uiteindelijk. Banken, gedirigeerd door de staat, verhullen een bulk aan slechte leningen op hun balans. De industriële conglomeraten blijken wandelende doden. Dalende vastgoedprijzen maken het vervolgens alleen maar erger.

Het is verleidelijk om de bovenstaande lotgevallen van Japan, een kwart eeuw geleden, als een mal op China te leggen. Maar gaat de vergelijking wel op?

Eerst het goede nieuws, voor zover dat in te schatten valt: het verschil in schaal is te groot. In China wonen meer dan tienmaal zoveel mensen als in Japan. De diversiteit in cultuur en bedrijvigheid is veel groter in de Chinese economie. Die heeft de omvang van een heel continent. De kans dat zo’n heel gebied in een langdurige malaise raakt zoals bij Japan, is veel kleiner.

Dat wil niet zeggen dat een recessie (hoe je die ook definieert) in China onmogelijk is. Snelle groeiers, ook in het Westen in de negentiende eeuw, maken van tijd tot tijd een gure terugslag door. Om daarna gewoon weer door te stomen. De meeste waarnemers gaan ervan uit dat de huidige ontwikkelingen in China het gevolg zijn van een groeitempo dat noodzakelijkerwijs vertraagt naarmate de economie volwassener wordt. Het ‘inhaaleffect’ met het Westen zou altijd aan kracht gaan verliezen. En geleidelijk gaat dat natuurlijk nooit, behalve misschien in China’s gemasseerde statistieken.

Slecht nieuws is er ook. De Japanse malaise in de jaren 90 was een schouwspel dat zich voltrok op het zij- toneel van de wereldeconomie. Het Westen draaide op volle toeren en liet zich zelfs door de Azië-crisis van 1997-1998 niet van de wijs brengen. Nu is dat anders. Niet alleen omdat de tijden veel fragieler zijn dan toen. Ook omdat de internationale vervlechting veel groter is dan destijds. Productieketens zijn geglobaliseerd. De grondstoffeneconomie is gemondialiseerd. China is al lang een grotere afzetmarkt voor westerse producten dan Japan ooit is geweest. De Chinese economie is nu al, in harde dollars, tweemaal zo groot als de Japanse. Gecorrigeerd voor koopkracht is zij bijna viermaal zo groot.

Een Chinese vertraging gaat niet aan het buitenland voorbij. Zeker niet aan grondstoffenlanden als Rusland of Brazilië, die de pijn al voelen. En ook niet aan de rest van Azië, of aan ons. Dat geldt niet alleen voor de economie. Japan had geen geopolitieke ambities, China wel. En dat is misschien wel het gevaarlijkste verschil.