Weer een vrouw die wil losbreken uit haar huwelijk, daar word ik zo blij van

De Pakistaanse Shirin Musa waarschuwt jonge meisjes voor een huwelijk onder dwang. Haar eigen ex-man weigerde een talaq, de scheiding volgens islamitisch recht. Pesten, wraak nemen, is dat, wat we hier een vechtscheiding zouden noemen.

Foto Merlijn Doomernik

Zwarte hoofddoek losjes over haar diepzwarte haar, zwarte kousen met een werkje erin, handtas van Longchamp en donkerrood gelakte nagels. Shirin Musa (37) zit op een bankje buiten bij Lof der Zoetheid, een lunchroom in het oude Noorden, de wijk in Rotterdam waar ze getogen is. Het is maandag, de meeste winkels zijn dicht, de straten uitgestorven. Vakantietijd, zegt ze. „Als kind wenste ik dat ik Turks of Marokkaans was, dan kon ik ook elke zomer naar mijn geboorteland.” Ze herinnert zich de keer, vijfentwintig jaar geleden, dat ze met haar ouders, twee broertjes en drie jongere zusjes naar Quetta ging, in Pakistan. „Mijn oudere zus trouwde er.” Elf dagen non-stop in de auto. „Het was mijn mooiste reis ooit.”

Shirin Musa bestelt een latte macchiato met een extra shot espresso. „Ik moet alert blijven”, zegt ze. Haar werk stopt nooit. Als ze al eens weggaat, is dat nooit langer dan een weekend en altijd blijft de telefoon van haar stichting Femmes for Freedom doorgeschakeld naar haar iPhone. De oproepen van vriendinnen drukt ze weg, eentje, een anonieme oproep neemt ze op: „Salam aleikum...” De rest van het gesprek is in het Urdu. „Weer een gevangen vrouw die wil losbreken uit haar huwelijk”, zegt ze als ze ophangt. „Daar word ik zo blij van.” Shirin Musa richtte Femmes for Freedom op in 2011, en heeft sindsdien flink wat aandacht gevraagd en gekregen voor wat zij huwelijksdwang noemt. Huwelijksdwang kan zijn: gedwongen uithuwelijking of kindhuwelijken. Maar ook: gevangen zitten in een huwelijk dat een vrouw om religieuze of juridische redenen niet kan beëindigen.

Voor veel Nederlanders geldt ook de wet van hun religie of geboorteland

Zelf heeft zij haar vrijheid voor de Nederlandse rechter moeten bevechten; dat was in 2010. Haar Pakistaanse man scheidde van haar, maar weigerde anderhalf jaar na de beëindiging van hun burgerlijk huwelijk een talaq, een scheiding volgens islamitisch recht. De rechter oordeelde dat Shirin Musa daardoor in feite gevangen werd gehouden door haar ex-man.

Met een andere, islamitische man zou ze niet kunnen trouwen en in menig islamitisch land zou ze doorgaan voor overspelige vrouw, en de straffen die daarop staan zijn niet mild. Haar zaak was uniek: niet eerder werd een Nederlandse rechter gevraagd uitspraak te doen over een islamitische verbintenis. De rechter sommeerde haar ex-man toe te stemmen in een talaq.

Als haar man wilde scheiden, waarom hield hij een talaq dan tegen? „Gewoon pesten”, zegt ze. „Wraak. Traineren.” Een vechtscheiding, zeg maar? „Precies. Dat wordt altijd op z’n Westers geïnterpreteerd. Maar er zijn meer manieren om elkaar dwars te zitten. De samenleving is niet alleen multi-etnisch, maar ook multi-juridisch.” Voor veel Nederlanders met nog een andere nationaliteit geldt niet alleen de Nederlandse wet, maar ook die van hun religie of hun geboorteland.

Een „beetje naïef” begon Shirin Musa toen haar stichting, om álle meisjes en vrouwen in vergelijkbare situaties te helpen. Aan het begin van deze zomer heeft ze op middelbare scholen spiekpennen uitgedeeld. Verstopt in een balpen zit een foldertje waarin meisjes geattendeerd worden op signalen dat hun zomervakantie in het thuisland van hun ouders weleens ongewild zou kunnen uitmonden in een huwelijk: „Stoppen je ouders met praten als je binnenkomt?” En: „Worden je belangrijke spullen en documenten in een koffer gestopt?” Op de andere kant van de folder tips om hulp in te schakelen: „Stop een lepel onder je kleren, zodat het alarm van de beveiligingspoortjes afgaat op de luchthaven.” Het idee is dat de beveiligers het meisje dan kunnen helpen.

Tellen wat niet geregistreerd wordt

Tienduizenden spiekpennen... Dat klinkt een beetje als een hagelschot om een mug te doden. Hoeveel meisjes lopen deze vakantieperiode serieus gevaar te worden achtergelaten of uitgehuwelijkt? Shirin Musa zucht en schakelt vloeiend over op het ambtelijke jargon dat ze zich intussen heeft eigen gemaakt. „Dat is moeilijke casuïstiek...”

Samen met het Verwey-Jonker Instituut en de Universiteit Maastricht heeft ze, in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken, onderzocht wat de aard en omvang is van huwelijksdwang in Nederland. Helemaal vlekkeloos verliep de samenwerking niet. „Hoe kun je iets tellen wat niet geregistreerd wordt?” In het uiteindelijke rapport Zo zijn we niet getrouwd staat het aantal geregistreerde gevallen over de jaren 2011-2012: huwelijksdwang: 181; achterlating: 178; huwelijkse gevangenschap: 140. De onderzoekers schatten dat het aantal niet gemelde gevallen vijf maal hoger is.

Genoeg, vindt Shirin Musa, om voor te vechten. Ze drong aan op een wetswijziging waardoor minderjarigen zelf reisdocumenten kunnen aanvragen. Ze is tegen bezuinigingen op ambassades en consulaten, voor vrouwen in nood vaak de enige plek waar ze geholpen kunnen worden. „Ze noemen me activist”, zegt Shirin Musa. „Best gek, want als ik een man was geweest die pleitte voor hetzelfde, heette ik een lobbyist.”

Femmes for Freedom wordt gefinancierd met donaties van Mama Cash (een fonds voor vrouwenrechten) en het particuliere fonds Adessium Foundation. „Mijn bestuur zegt vaak dat ik niet alles alleen hoef te doen. En onderzoek én lobbyen én ook nog individuele vrouwen helpen. Maar ik wil elk geval vanaf het begin volgen, misschien kan ik dan patronen ontdekken en kunnen we nog eerder ingrijpen.” Sinds 2013 is ze fulltime in dienst van haar stichting. Aan haar studie rechten komt ze niet of nauwelijks meer toe.

We bestellen soep. Zij graag zonder vlees. Vegetariër? „Eens in de drie maanden eet ik vlees. Volgens de sjiitische traditie die zegt: maak van uw buik geen begraafplaats.” Zo grappig, zegt ze, dat alles wat zij in haar jeugd meekreeg, ineens een „eco-tintje” heeft. „Mijn moeder gruwde altijd al van de Hollandse kip. Ze noemde het hormoonkip. Zorg dragen voor je omgeving, het milieu niet belasten, niks weggooien wat nog bruikbaar is. Voor moslims is dat vanzelfsprekend. Nu is het hip.”

Zij is van Hazara-komaf, een etnische minderheid uit Afghanistan. Haar grootouders vluchtten, vervolgd wegens hun sjiitische geloof, naar Pakistan. Shirin Musa herschikt de sjaal om haar hoofd. „Vandaar dat ik zo’n Oosters hoofdje heb.” Vroeger, toen ze nog diepgelovig was en doodsbang voor de hel, bedekte ze elk hoofdhaartje. Ze lacht: „Toen was ik negen.” Nu noemt ze zich ‘Nedermoslim’. „Mijn hoofddoek is nu een modeaccessoire, voor mij net zo vanzelfsprekend als sokken.” Ze pakt haar telefoon, zoekt een foto op van het schilderij dat ze in een antiekzaak in Amsterdam heeft gezien. Ze wil het graag kopen. Het is een portret van een non: ze draagt een klassieke, zwartwitte nonnenkap. „Zo mooi,” zegt ze. „Ze lijkt op mijn moeder.”

Van alle kinderen evenveel houden, maar de zoons meer aandacht geven

Haar moeder is nu 61. Haar vader kan, na een beroerte, niet meer werken. Jarenlang runden ze samen een speelgoed- en tassenwinkeltje in Rotterdam. „Mijn moeder hield van al haar zeven kinderen evenveel, maar haar twee zonen kregen meer aandacht.” De geboorte van een meisje is voor veel families in India en Pakistan een bittere en vooral dure teleurstelling. Voor elke dochter zal een bruidsschat moeten worden betaald. „Van kleins af aan verzette ik me tegen die ongelijkheid. Ik hield alles in de gaten: kregen we dezelfde verjaardagstaarten? Evenveel zakgeld? Werden m’n zusjes en ik net zo aangemoedigd als mijn broers?”

Wat ze nooit zal vergeten is de geboorte van haar jongste zusje, een nakomertje. „Ze was mijn moeders vijfde dochter. Buiten ons gezin feliciteerde niemand haar. Niemand. Ik was dertien, ik vond het zo oneerlijk hoe er over meisjes werd gedacht. We hebben met z’n allen besloten mijn zusje extra te verwennen. Om haar te laten voelen dat zij wél welkom is op deze wereld.”

Ik dacht dat ik verliefd was

Ze komt terug op de spiekpennen. „Ik kom veel op scholen. En dan hoor je die verhalen van meisjes. Dat ze niet mogen appen met jongens uit hun klas, niet verliefd mogen worden, niet mogen skypen met hun neven, want die zouden weleens verkeerde verwachtingen kunnen krijgen.” Wat ze bedoelt te zeggen is: „Alles moet binnen het huwelijk: verliefdheid, genegenheid, seksualiteit, vriendschap, gezin.” Ze aarzelt. „Ik bepleit geen losbandigheid. Maar je moet toch iets van ervaring hebben voor je in het huwelijk treedt. Voor je een auto koopt, moet je kunnen rijden.” Nu stelliger: „Eigenlijk bepleit ik het recht op verliefd worden. Voor een kusje op een jongenswang kom je niet in de hel. Hand in hand lopen moet kunnen, ook al ben je niet getrouwd.” Ze heeft moslimvriendinnen met een goede opleiding en een uitstekende baan, maar zonder echtgenoot. „Sommigen zijn letterlijk ziek van het gemis aan intimiteit en genegenheid. Waar moeten zij een man vinden?”

Zij trouwde op haar drieëntwintigste met een man die haar ouders niet zagen zitten. Ze leerde hem, een Pakistaanse student elektrotechniek aan de TU Delft, kennen in een café. Was ze verliefd? „Ik dacht van wel. Ik voelde me oud. Ik was bang dat het er nooit meer van zou komen.”

Een jeugdvriendin was al verloofd op haar veertiende. „Zo ging dat in die tijd; rond je zestiende, zeventiende moest je toch wel aan de man zijn. Mijn vriendinnen hebben kinderen van 18.” Ze trouwde met hem voor de burgerlijke stand. Maar pas na de religieuze inzegening tweeënhalf jaar later gingen ze samenwonen. „Maar het was vanaf de eerste dag niet gezellig.” Hij had een tijdelijke verblijfsvergunning. Toen hij, door zijn huwelijk met haar, permanent mocht blijven, ging hij bij haar weg.

En heeft ze sindsdien nog weleens... romantische betrekkingen? Ze lacht. „Ik voel me een gezegende, alleenstaande, onafhankelijke vrouw. Ik vind het heerlijk om verliefd te worden.” Ziet ze zichzelf ooit nog trouwen? Ze haalt haar schouders op. „Vroeger zag ik het huwelijk als beginpunt van een relatie. Nu is het misschien een eindpunt.” En snel verandert ze van onderwerp. „Ik kom hier vaak lunchen met mijn neefje.” De zoon van haar broer. „Hij is twee. Ik bestel een brioche met jam voor hem. En dan vraagt hij altijd na afloop: ‘tante ben je nu blij?’.” En dan zegt zij? „Dat ik heel blij ben.”