Terroristen in de krant: wie noem je zo en wie niet?

Wilden, moordenaars, terroristen – kiest u maar. Correspondent Gert van Langendonck berichtte onlangs dat hij en zijn collega’s in Egypte van de overheid daar een advieslijst toegestuurd kregen van goede en foute woorden in de berichtgeving over terrorisme. Fout: fundamentalisme, jihadisme en andere termen die een verband leggen met de islam. Goed: „terroristen, extremisten, criminelen, wilden en moordenaars’’ (Beste journalist, mogen wij de correctie tegemoet zien? 8/7).

Nu zullen lezers er geen bezwaar tegen hebben dat de bloeddorstige jihadisten van IS in de krant worden aangeduid als terroristen of moordenaars – maar is het aan een ministerie om dat te bepalen? Nelson Mandela was volgens het apartheidsbewind ook een terrorist, de Geuzen in de Tachtigjarige Oorlog in de ogen van Filips II vermoedelijk ook (al was de term toen nog niet in zwang). Of, actueler, dan zou de krant ook de Oekraïners in de Donbas nu fascistische terroristen moeten gaan noemen.

De krant kan er dus maar beter terughoudend mee zijn; omdat het zo’n politiek en ideologisch beladen begrip is, dat door overheden gretig wordt gebruikt om dissidenten, critici en rebellen te criminaliseren. Zoals het gezegde luidt: wie in de ogen van sommigen een terrorist is, kan in de ogen van anderen een verzetsheld zijn.

Maar ja, juist daarom is het zaak dat media wel degelijk zelf bepalen – en beargumenteren – voor wie en wanneer ze dat etiket nu eigenlijk in hun kolommen gebruiken.

Arjen van Veelen klaagde bijvoorbeeld over de (beredeneerde) terughoudendheid van de NOS om Dylan Roof, die negen mensen vermoordde in een zwarte kerk in Charleston, een terrorist te noemen (Blonde buurjongen, dus we noemen hem geen terrorist, 22/6).

Maar ook NRC Handelsblad noemde hem niet standaard zo; al was ‘terrorist’ één keer het trefwoord bij een stukje over hem.

NRC Handelsblad identificeert plegers van aanslagen geregeld wel als terroristen. Zoals „de Tunesische terrorist Seifeddine Rezgui”, die toeristen vermoordde op het strand van Sousse. Maar ook Anders Breivik, die tientallen jonge socialisten afslachtte, wordt „de Noorse terrorist” genoemd.

Dat lijkt me terecht. Alleen al op grond van de definitie van de NCTb, die terrorisme omschrijft als „het uit ideologische motieven plegen van op mensen gericht ernstig geweld, gericht op het aanrichten van maatschappij ontwrichtende schade, met als doel maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen, de bevolking ernstig vrees aan te jagen of politieke besluitvorming te beïnvloeden”.

Een hele mond vol. Maar met alle wezenlijke kenmerken.

Derk Walters beriep zich erop in een fact check voor nrc.next, over de vraag of Menachem Begin een terrorist en een vredestichter kon worden genoemd. Ja, dat kon, was zijn conclusie (Premier Israël was terrorist en vredestichter, 2/6). Nu nog langs Gerry Adams, Yasser Arafat en een hele reeks anderen.

Je kunt dan nog lang twisten over de vraag of terrorisme moet worden beperkt tot niet-statelijke groepen, zoals Al-Qaeda, of dat er ‘staatsterrorisme’ bestaat, in vredes- of in oorlogstijd. Zie het terrorisme gesponsord door Libië (Lockerbie) of Iran. Of, nog altijd omstreden: de Japanse ‘verkrachting’ van Nanking in 1938, het bombardement op Tokio in 1945, de atoombommen. Terreur? Het doel was toen grote aantallen vijandelijke burgers te doden, om het moreel van de bevolking te breken.

Kern van de zaak, lijkt mij: het gaat er minder om wie een terrorist genoemd ‘mag’ worden, dan wat een terreurdaad is. Terrorisme is geen kwestie van identiteit, maar een middel: met minimale middelen maximale schade aanrichten, om onrust en angst te veroorzaken.

Dan verdwijnt ook meteen een deel van de verwarring over de terrorist die herboren wordt als staatsman. Je hoeft Mandela geen terrorist te noemen om vast te stellen dat het ANC terreurdaden pleegde. Hetzelfde geldt voor de Tamil Tijgers, de PLO, de Irgun, de IRA, ETA, et cetera. ‘Terrorist’ zou ik beperken tot de daadwerkelijke plegers van aanslagen, of voor politieke activisten die van zulke daden hun dagelijkse werk hebben gemaakt – zoals Carlos de Jakhals.

En Dylan Roof?

Roofs aanslag heeft alle kenmerken van terrorisme: een politiek-ideologische motivatie (rassenhaat), dodelijk geweld tegen burgers en het oogmerk van een ingrijpend sociaal-psychologisch effect (een rassenoorlog). Ik zou er geen moeite mee hebben als de krant Roofs aanslag een terreurdaad noemt.

Mohammed B. idem – met een verschil, omdat hij geen willekeurig slachtoffer koos. Maar zijn doel was ontegenzeglijk: ongelovigen en afvalligen angst inboezemen, en ‘de hypocrieten’ een lesje leren. De moordenaar liet na zijn religieuze gruweldaad niet voor niets een dreigbrief aan anderen na op het lijk van zijn slachtoffer.

Volkert van der G.? Die vermoordde koelbloedig een politieke tegenstander, die hij als een gevaar zag voor de samenleving. Een afgrijselijke politieke moord, niet gepleegd om onrust of angst te veroorzaken maar juist om – in zijn verwrongen geest – onheil af te wenden.

Vooral: het gaat niet in de eerste plaats om wie – maar om wat.