‘Rechters zijn geen bijzonder slag mensen meer’

Raadsheer

Steeds vaker wordt het gerechtshof gevraagd om het Openbaar Ministerie te dwingen tot vervolging over te gaan. Dat zegt Joep Verburg, voormalig president van het Haagse gerechtshof en lid van de beklagkamer. „Het gezag van het OM is minder geworden.”

Joep Verburg was ruim 35 jaar rechter. „Vroeger opereerde je alleen in je eigen beperkte kring. Nu staan we middenin de samenleving.” Foto Merlijn Doomernik

Bijna een heel leven lang werkte Joep Verburg (70 jaar) als rechter. Zijn eerste zaak deed hij als lid van de rechtbank in Dordrecht in 1978. Verburg moest in een dorpje in de Alblasserwaard op bezoek bij een aan de dijk wonende oudere man om te kijken of hij inderdaad zo gek was dat ondercuratelestelling geboden was. Ja. „De man wist niet welke dag we leefden. Er kwam niks verstandigs meer uit.”

Afgelopen donderdag deed Verburg zijn laatste zitting. Wederom zat hij tegenover „een gestoorde man”. Hij vroeg tevergeefs opheffing van zijn voorlopige hechtenis. Ruim 35 jaar was Verburg rechter. En ja, er is in al die jaren in de magistratuur wel het een en ander veranderd. „We zijn geen bijzonder slag mensen meer”, constateert Verburg aan de eettafel van zijn Haagse woning. „We zijn ons er natuurlijk wel van bewust dat we in onze samenleving een taak met veel verantwoordelijkheden vervullen. We beslissen over mensen. Maar niemand ontleent daar nog aan dat we ons om die reden ook buiten de rechtbank bijzonder of opvallend mogen gedragen. Vroeger opereerde je alleen in je eigen beperkte kring. Nu staan we middenin de samenleving.”

Toen Verburg zijn juridische loopbaan begon organiseerde de vrouw van de rechtbankpresident nog maandelijkse koffiekringen voor de echtgenotes van de heren rechters. Met de beste stoelen voor de dames van de voornaamste magistraten. Inmiddels zijn in veel gerechten vrouwelijke rechters in de meerderheid en laten magistraten zich op prime time op de televisie door een journalist in alle hoeken van de ziel kijken.

Vrouwelijke rechters zijn tegenwoordig vanzelfsprekend, zegt Verburg, en „vakmatig” zijn ze niet anders dan mannen. „Door vrouwen is rechtspraak toegankelijker geworden. Ze hebben een andere stem dan mannen. Vrouwelijke collega’s zijn preciezer in hun voorbereiding en behandeling. Mannen zoeken eerder de grotere lijnen. Vrouwen hebben er toe bijgedragen dat de sfeer onder rechters losser is geworden. Dat zie je niet alleen binnen maar ook tussen de gerechten en dat draagt bij aan eenheid en kwaliteit.”

Zijn alle veranderingen de kwaliteit van de rechtspraak ten goede gekomen?

„Vonnissen worden beter en uitvoeriger uitgelegd. Inhoudelijk denk ik dat we het niet slechter doen dan vroeger, terwijl we minder tijd aan een zaak kunnen besteden. De werkdruk is enorm toegenomen. Toen ik in 2001 president was, was het nauwelijks acceptabel om over productie te praten. Nu snapt iedereen dat je zaken niet eindeloos op de plank moet laten liggen. Rechters hebben daardoor minder tijd voor verdieping. Ik zeg niet dat we door de bodem zakken maar we moeten er heel alert op zijn. De grens is bereikt. Rechters moeten een halt toeroepen aan de dictatuur van cijfers en productiedwang.”

Is er niets verbeterd sinds het ‘Manifest van Leeuwarden’ waarin rechters drie jaar geleden massaal klaagden over productiedwang?

„Er bestaat meer oog voor dit probleem. Maar de dynamiek van de bureaucratie maakt het veranderen nogal stroperig. Het aantal zaken dat een rechter op een zitting moet behandelen is exponentieel gegroeid.”

Meer beklagzaken

Een opvallende stijging is volgens Verburg ook te zien bij het werkaanbod van de zogeheten beklagkamer, waar Verburg de afgelopen drie jaar in zat. Elk gerechtshof heeft die kamer waarin een belanghebbende kan klagen over het besluit van een officier van justitie om een zaak niet aan de strafrechter voor te leggen (de zogeheten ‘Art. 12 Wetboek van Strafvordering procedure’). Het hof kan na het horen van partijen het OM verplichten alsnog vervolging in te stellen. In Den Haag is het aantal beklagzaken in ruim vijf jaar tijd van ongeveer 400 toegenomen naar 800 per jaar.

Hoe verklaart u die toename van zaken?

„Het is niet meer vanzelfsprekend dat mensen een besluit van het Openbaar Ministerie aanvaarden. Het gezag van het OM is minder. Het OM neemt niet altijd voldoende tijd een besluit tot niet vervolgen toe te lichten. En door een gebrek aan capaciteit wordt een zaak vaak niet goed uitgezocht. De beklagprocedure is ook meer ontdekt door slachtoffers. Het is een betrekkelijk informele procedure waarbij je geen advocaat nodig hebt.”

In gemiddeld een op de tien zaken oordeelt het hof dat het OM alsnog moet vervolgen. De opvallendste beklagzaak dateert van 2009. Toen oordeelde het gerechtshof Amsterdam dat het OM de leider van de PVV, Geert Wilders, wegens haatzaaien voor de strafrechter moest brengen. Volgens het hof handelde „Wilders met zijn harde en algemene diskwalificaties ten aanzien van moslims in strijd met de grondvoorwaarde voor een stabiele democratie.”

Verburg: „In die zaak heeft het gerechtshof eigenlijk al de strafzaak zelf gedaan. Dat is niet goed. Wij moeten niet op de stoel van de strafrechter gaan zitten maar alleen vaststellen of er voldoende aanknopingspunten zijn om een zaak aan de rechter voor te leggen. Het hof Amsterdam besliste te veel in veroordelende zin en dat bracht Wilders terecht tot de overtuiging dat hij al geslachtofferd was. Dat was onverstandig van het hof, maar we weten ook dat de rechtbank uiteindelijk haar eigen beslissing (vrijspraak, red.) heeft genomen.”

In Den Haag neemt volgens Verburg ook het aantal beklagzaken tegen agenten toe omdat mensen zich beklagen over de toepassing van politiegeweld. Zaken waarbij het OM niet wil vervolgen. „Er wordt door ons ook in meer gevallen vervolging van agenten gelast. Dat komt vooral doordat we in toenemende mate beschikken over met smartphones of straatcamera’s opgenomen beelden van een incident. Die beelden geven aan dat de weergave van de politie in een proces-verbaal nogal eens selectief is.”

Na artikel 12Sv procedures zijn de afgelopen weken in Maastricht en Rotterdam politieagenten vervolgd. Voor de Limburgse rechtbank resulteerde dat twee weken geleden in een veroordeling van een agent tot een celstraf van twee jaar wegens poging tot doodslag. De rechters oordeelden dat een agent „buitenproportioneel en ondoordacht” had gehandeld door te schieten bij een aanhouding van een bestuurder waarbij een bijrijder gewond raakte.

Hoe vindt u dit vonnis?

„De rechtbank heeft goed uitgeschreven dat de verdachte geen beroep op noodweer kan doen. De norm wordt vastgesteld en dat is belangrijk. De motivering van de strafmaat vind ik kort door de bocht. Ik zou een vergelijking willen maken met euthanasiezaken. Daar wordt nogal eens vastgesteld dat de optredende hulpverlener niet goed heeft gehandeld, maar dan krijgt hij toch een voorwaardelijke straf. Ik ben van mening dat een politieagent die een verkeerde inschatting maakt niet als uitgangspunt een onvoorwaardelijk celstraf verdient. Alleen bij grove nalatigheid of bij een agent ‘met losse handjes’ en bij heel ernstige gevolgen is een directe celstraf op zijn plaats. Hoe dan ook, in hoger beroep zal er meer duidelijkheid komen in deze strafzaak.”

Moet er een andere wijze van berechting komen van politiegeweld?

„Het systeem is solide en we moeten oppassen met het bedenken van nieuwe regels of een verandering van rechtsgang. Dat helpt de politie niet en maakt de straat niet veiliger.

„Je zou wel de beklagprocedure kunnen aanpassen. Het OM zal niet zo snel een politieagent vervolgen. Het OM heeft een gezagslijn met de minister van Veiligheid en Justitie en hij is ook de baas van de politie. Het OM moet elke dag met de politie zaken doen dus die zullen als het even kan geen vervolging instellen. Ik denk dat het verstandig is als de beklagkamers van de vier hoven besluiten dat er in zaken van ernstig politiegeweld één landelijke beklagkamer komt die beslist over vervolging. De gerechtshoven gaan daar dit najaar ook over praten om meer uniformiteit te bereiken.”