Platte jungle moet behouden blijven

Oud-premier Dries van Agt merkte op dat pootaardappelen mooi zijn, maar het wad oneindig veel schoner. De strijd voor het behoud van het Wad bleef desondanks moeizaam: wat willen we behouden en tot welke prijs?

‘Wadlopen’, bedenkt Kester Freriks als hij met Kees Wevers te voet op pad is over het wad, ‘is op de tast onder water je veters strikken.’ Het is ook: de beste manier om de weidsheid van dat gebied, het gevoel van vrijheid en ook de dynamiek ervan te ervaren, want je weet nooit waar je loopt, doordat met de getijden en de seizoenen het patroon van geulen en prielen, stromingen en wantij voortdurend verandert en een kaart van vorig jaar al verouderd kan zijn.

‘Hier ligt alle schoonheid van de hele wereld’, zegt Wevers om zich heen kijkend. Als lyceïst uit Kortenhoef, lid van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie NJN, riep hij in de zomer van 1965 in brieven aan de kranten op ‘grootscheeps in ’t geweer te komen’ om de Waddenzee te redden. Door de beleidsvoornemens om het gebied in te dammen en in te polderen voelt hij zich als zestienjarige jongen bij voorbaat ‘in zijn vrijheid beknot’, al woont hij zelf in het Gooi. Er moet dus een vereniging komen tot behoud van de Waddenzee! Die komt er in datzelfde jaar nog, ze bestaat inmiddels vijftig jaar en het toenmalige bedreigde gebied is nu werelderfgoed.

Zou dat zonder Kees niet gelukt zijn? Zijn oproep komt op het juiste moment. In de jaren rond 1970 treedt een kentering op in het denken over vooruitgang. De plannen (van Joop den Uyl) om de Jordaan te slopen, het Markermeer te dempen en de Oosterschelde volledig af te sluiten worden geschrapt, en de inpoldering van Flevoland wordt gestaakt, waaraan wij de Oostvaardersplassen danken. Ir Cornelis Lely heeft met de Afsluitdijk al vóór de oorlog de Zuiderzee afgesloten en na de Watersnoodramp van 1953 is het bedwingen van de zee een allerhoogste prioriteit. De Waddeneilanden moeten met het vasteland verbonden worden, de Waddenzee moet drooggelegd.

Hoe dat denken omslaat en vooral hoe het nieuwe denken vorm krijgt in het beheer van de ‘fragiele wereld’, de ‘platte jungle’ van de Wadden is het onderwerp van Freriks’ journalistieke speurtocht in De kleuren van het wad. Dat is geen sinecure, want nog veel ingewikkelder en veranderlijker dan de bodem van de Waddenzee is de baaierd van instanties en belangen die zich er conflicterend doen gelden: toerisme, natuurbeheer, Defensie (het oefenterrein op Vlieland!), visserij, gaswinning, Milieudefensie, de eilandbewoners (liefst eigen meester, niemands knecht), alle met hun eigen politieke, bureaucratische en activistische vertegenwoordigers.

Freriks gebruikt hier terecht het beeld van ‘bestuurlijke spaghetti’, maar hij slaagt er wonderwel in deze voor de lezer inzichtelijk te maken. Hij doet dat in een zakelijke stijl en vermijdt de uitbundige lyriek waarin veel schrijvers over de Wadden zich uitputten, maar waarvoor je er beter zelf heen kunt gaan of er foto’s van kunt bekijken (waarvan er overigens, gezien de titel, wel meer in dit boek hadden mogen staan).

Anderhalf decennium na Kees Wevers’ ingezonden brieven stellen ingenieurs vast dat het nageslacht ons er om zou ‘vervloeken’ als de plannen tot het inpolderen van de Waddenzee doorgang zouden vinden, en premier Dries van Agt, voorman van een partij die het agrarisch belang hoog in het vaandel heeft, bespiegelt dat pootaardappelen weliswaar mooi zijn, maar het wad oneindig veel schoner.

De strijd is daarmee niet gewonnen, want wat willen we precies behouden en tot welke prijs? Dijkverzwaring, kokkelvisserij, gas- en oliewinning – ze leveren, net als toenemend toerisme telkens nieuwe frontlinies op, ook binnen de Waddenvereniging. De bittere strijd die daarin intern is geleverd tussen activisten en aanhangers van het poldermodel en over de vraag of actie en overleg elkaar uitsluiten is een van de spannendste episodes in het boek, en nog altijd niet definitief beslecht.

De schrijver belicht ook de fundamentalistische periode van de vereniging die aanvankelijk onder het motto ‘Handen af van het wad’ niet alleen olieboringen en sleepnetten, maar ook praktisch elke nieuwe toeristische voorziening, inclusief wadlopen en het theaterfestival Oerol, van het wad wil weren. Het heeft op de eilanden veel kwaad bloed gezet tegen de Waddenvereniging.

Met het uitroepen tot werelderfgoed is de toekomst van de Waddenzee – zie de recente discussie over gaswinning vanaf Terschelling – niet veiliggesteld. Bestuurlijk betekent dit Unesco-keurmerk maar weinig en de erfgenamen van Kees Wevers moeten dus ‘grootscheeps in ’t geweer blijven komen.

De kleuren van het wad is als momentopname buitengewoon geslaagd, ook omdat Freriks het gebied nu eens helemaal bereist, van Wieringen tot en met de Dollard. Alleen spijtig dat hij weinig aandacht schenkt aan de woestenijen van golvend zand en weerbarstig gewas waar geen paden meer lopen en waar de eilanden (De Hors op Texel, Noordsvaarder op Terschelling, De Hon op Ameland) lijken te ‘wandelen’ – maar zo zal elke aficionado van het wad wel iets te mopperen hebben.