Op Hollandse bodem

Dertig jaar later bezoekt

schrijver Aukelien

Weverling de pretparken

van haar jeugd. Wat blijft er

van over door volwassen

ogen? En hoe beleeft de

achtjarige Rafael ze nu?

Vandaag: Madurodam.

Foto Niels Blekemolen Foto Niels Blekemolen

De Haagse miniatuurstad Madurodam zal in weinig fotoboeken ontbreken. Ons gezin is in elk geval vastgelegd. Het was een hete dag in 1984 en we hielden ijs vast, op de achtergrond heel Nederland.

Mijn vader had ergens gelezen dat Dolf Brouwers, alias Sjef van Oekel, de bewoners van Madurodam had beschilderd en hij wilde dat graag zien. Dus hop daar gingen we de benauwde zomerauto in. Op de achterbank lazen mijn broer en ik samen een strip van Sjef van Oekel die we niet goed begrepen „Pap, hij zegt ‘lul’, maar dat woord mag toch helemaal niet van jou?” vroeg mijn broer terwijl hij de strip ophield. „Laten we nog een keer naar Peter en de Wolf luisteren”, stelde mijn vader voor, waarna hij boven de klarinet uitriep: had ik al gezegd dat alles er echt heel klein is daar?’

Ik herinner me Madurodam als een indrukwekkend poppenhuis waar je alleen met je handjes op je rug naar mocht kijken terwijl zich in je hoofd een spel ontvouwde waarin mijn favoriete pop door alle huisjes trok. Raf rent van interactief scherm naar interactief scherm, waar vanuit historisch perspectief uitgelegd wordt hoe trots we zijn op ons kikkerlandje. „Kaasmarkt”, gilt hij terwijl hij een sprintje trekt. „Kom we gaan een brandje blussen.” hij wijst naar een piepklein olietankertje dat in de fik staat. Madurodam is namelijk niet langer die ongetrouwde oom op zolder die in zijn eentje treintjes bestuurt, het is nu eindelijk een poppenhuis waarmee gespeeld mag worden. Hij draait zich een lamme arm aan een gemaal en vermaakt zich uitstekend als hij containers mag laden in de miniatuurversie van de Rotterdamse haven. En: „Nu gaan we jouw gewicht in kaas wegen, Aukje!”

Wie dertig jaar niet in Madurodam is geweest en het neemt als overzicht van Nederland, valt het op hoe weinig ons land in beweging is. Het is nog precies zoals ik het me herinner. Nederland met zijn grachten en gevels, met zijn molens en dijken, maar hoe langer ik om me heen kijk, hoe minder ik er Nederland in herken.

Het is een euforisch verhaal over leven op Nederlandse bodem, maar waar zijn de echte heldenverhalen die ons land boven zichzelf doen uitstijgen? Waar wordt onze tolerantie uitgebeeld en waar zien we bijvoorbeeld de vrijheid van religie terug? De islam bestaat al sinds de 16de eeuw in Nederland toen bekeerde Hollandse zeelieden het samen met peper met zich meebrachten. Maar waar is de moskee? Voor de op één na grootste geloofsgroep in Nederland is kennelijk geen plaats in de Haagse miniatuurstad en ergens wringt dat. „Laten we terugkeren naar het echte Nederland”, zeg ik tegen Rafael.

„Hè, wat bedoel je?”

„Dat we naar huis gaan.”

„Nu al? Maar ik wilde nog energie maken met die windmolens daar.”

„In de auto mag je blazen, dan zet ik de airco uit.”

Nog één keer draai ik me om en kijk ik naar die geminimaliseerde samenleving waarboven grote zeemeeuwen vliegen. Madurodam is een ansichtkaart uit de jaren vijftig waarin iedereen dankbaar achter de dijken zijn boterham met tevredenheid eet. In elk landend vliegtuig klinkt nog applaus en alle moslims heten er gastarbeider. Het is een interessante stad om te bezoeken, maar ik zou er niet willen wonen.