Kijk, een vrouw, tussen de hoogleraren in toga!

Alle mannen van haar generatie in de afdeling van transplantatiebioloog Els Goulmy (1946) waren al hoogleraar. Alleen zij en een vrouwelijke collega niet.

Pas op haar 53ste, in het vliegtuig terug uit de Verenigde Staten, realiseerde Els Goulmy zich hoe verschillend mannen en vrouwen eigenlijk bejegend worden in de wetenschap. Goulmy (ze is nu 68) had in Boston een hoogleraarschap aangeboden gekregen, aan Harvard Medical School. „Ik was ongelooflijk vereerd”, vertelt ze thuis in Oegstgeest, aan de keukentafel, „en ik was ongelooflijk boos. Zoals veel vrouwen was ik louter inhoudelijk bezig geweest met mijn werk, met vooruitgang boeken, met zorgen dat mijn team happy was. Ik dacht nooit: nu wil ik hogerop. Maar door dat aanbod ging er een lichtje branden: waarom was er in Leiden nooit over gesproken of ik hoogleraar kon worden?”

Goulmy deed toen al 27 jaar onderzoek in het Leids Universitair Medisch Centrum. Succesvol: ze had verschillende keren in de toptijdschriften Nature en Science gestaan. Goulmy ontdekte mechanismen waardoor donorweefsel bij transplantaties kan worden afgestoten terwijl donor en ontvanger in eerste instantie een goede match lijken. Veel later, in 2002, zou ze er een Spinozapremie voor krijgen (de hoogste Nederlandse wetenschapsprijs, destijds 1,5 miljoen euro); bij haar eerste doorbraak had ze niet eens een academische opleiding.

Dat ze aanvankelijk niet was gaan studeren had overigens niets met seksisme te maken: na een achterstand op de lagere school, door geelzucht, deed ze Mulo in plaats van gymnasium, en daarna een analistenopleiding. Na een paar jaar labwerk in Zwitserland en Noorwegen, „daar kon ik skiën”, werd ze in Leiden aangenomen door transplantatiepionier Jon van Rood. „Ik wilde wetenschappelijk onderzoek doen”, vertelt Goulmy, „maar ik kwam eerst in een routinelab terecht. Ik schreeuwde meteen rond dat het me niet boeide. Toen liet Van Rood me kiezen: of direct opstappen, of in een maand succes halen met een heel nieuwe techniek.”

Ze koos dat laatste en een paar jaar later haalde ze Nature met haar onderzoek. „Een vrouwelijke patiënt had beenmerg van haar broer afgestoten, wat niet had mogen gebeuren. Ik ontdekte, totaal nieuw, dat haar killercellen specifiek mannelijke cellen doodmaakten.” Lachend: „Ja, dát is pas seksisme.”

Nu wilde Goulmy ook zelf subsidie kunnen binnenhalen. En niet meer hoeven horen: wat moet zij bij de stafvergadering? „Dus ik moest snel een academische opleiding krijgen.” Ze studeerde af in de medische biologie op haar 38ste en promoveerde op haar 39ste, beide cum laude, bij Nobelprijswinnaar Jean Dausset in Parijs. „Ik reed er steeds in m’n Renault 4’tje naartoe voor examens, en de volgende ochtend zat ik weer in Leiden te werken.” Eenmaal gepromoveerd bedong ze een docentensalaris. „Men vond dat ik best als analist betaald kon blijven. Belachelijk.”

Het bleef goed gaan met haar werk. Inhoudelijk. En toen kwam dat aanbod uit Boston. „Een eyeopener. Ik ging direct van Schiphol naar het LUMC en ik zei tegen de eerste de beste mannelijke collega: binnen drie maanden wil ik hier hoogleraar zijn, anders stap ik op. Toen was het snel geregeld. En dan ga je om je heen kijken. En dan zie je dat alle mannen van onze generatie in Van Roods afdeling al hoogleraar waren, alleen Anneke Brand en ik niet. Terwijl we heel succesvol waren.”

Goulmy merkte van alles op, toen ze eenmaal om zich heen keek. Een billenknijpende mannelijke superieur. Een vrouwelijke sollicitant die beleefd vroeg wanneer ze met de hoogleraar mocht praten. „Ik zei: daar praat je mee. Het was een erudiete en integere meid, maar ze dacht waarschijnlijk toch: wanneer houdt die secretaresse eens op met dat geklets?” En toen Mandela in 1999 in Leiden een eredoctoraat kreeg en Goulmy in toga meeliep tussen de hoogleraren, hoorde ze iemand verbaasd roepen: „Kijk, een vrouw!” Ze wil nog weleens een boekje schrijven, zegt ze, met dit soort gebeurtenissen.

In individuele gevallen, weet ze ook wel, is het vaak moeilijk om te zeggen: is dit nou seksisme of ligt het aan deze persoon? Maar dan kijk je naar de cijfers. Ze heeft mappen vol informatie over de achterstand van vrouwen op tafel liggen: minder salaris voor hetzelfde werk, minder promoties naar hogere posities, minder gevraagd als deskundigen op tv.

Die tafel is trouwens dezelfde keukentafel waar in 2001 het idee werd geboren een Stichting Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren (LNVH) op te richten. „Eerst was er een denktank vrouwelijke hoogleraren, daar was ik ook lid van. Als je dan belet vroeg bij het College van Bestuur om te vragen wat ze aan vrouwenbeleid deden, dan zaten ze bij wijze van spreken zó” – ze legt één been over tafel, leunt achterover en bootst een bekakt accent na: „Ja, vrouwen, daar doen we álles aan, dág hoor.” Maar het LNVH is een stichting die ruim 800 vrouwelijke hoogleraren vertegenwoordigt. „Dan kom je ineens binnen als een belangrijk en machtig gremium, want stel je voor dat al die vrouwen in opstand komen.”

En heel langzaam verandert er wat, ziet Goulmy. Ze vindt AthenasAngels.nl een geweldig initiatief: vier Leidse vrouwelijke hoogleraren die informatie en advies geven over seksisme in de wetenschap. „En er bestaan ook mannen die gevoelig zijn voor het argument dat je het vrouwelijk potentieel moet benutten. Toen ik in 1999 hoogleraar werd, was 5 procent van de hoogleraren vrouw, nu ongeveer 15 procent. Toch een substantiële winst.” Maar Goulmy verwacht niet dat 20 procent vrouwelijke hoogleraren in 2020, een doel dat ze in 2010 in een notitie voor OCW stelde, wordt gehaald.

Ze is voor vrouwenquota. „Om dit te doorbreken. Want het blijft doorsijpelen. Men is bang dat er door zulke quota minder goede mensen in besturen komen. Excuustrusen. Maar in veel besturen zitten ook mannen die suboptimaal presteren en daar wordt héél weinig over gezegd.”