Juist traditionele islamgeleerde zal hervormen

Religieuze geleerden verloren lang geleden hun gezag: nu domineert een samensmelting van salafisme, wahabisme en nationalisme in de islamitische wereld. IS is daar een gevolg van, schrijft Simon Wolfgang Fuchs. Terwijl juist de ideeën van die traditionele denkers onze aandacht verdienen.

Een moslim bij het avondgebed na afloop van de iftar. Feroz Kotla-moskee in New Delhi, juni 2015 foto REUTERS/Adnan Abidi

Waar blijft de islamitische Luther? Wanneer is er eindelijk eens sprake van een alomvattende herinterpretatie van de heilige geschriften van de islam? Onze islamitische medeburgers worden keer op keer en zeer fel met zulke vragen en impliciete verwijten geconfronteerd. In heel Europa wordt via allerlei kanalen van hen geëist dat ze moeten uitleggen waar het moslimgeweld vandaan komt, waarvan IS-terroristen en de plegers van de aanslag op Charlie Hebdo zich bedienen en hebben bediend. Maar de politici en commentatoren die zich luidkeels over de afwezigheid van een islamitische hervormer beklagen, komen ruim 150 jaar te laat.

In de tweede helft van de negentiende eeuw rommelde het in de Arabische provincies van het Osmaanse Rijk en onder de moslims van India, dat tot het Britse wereldrijk behoorde. Modern georiënteerde denkers bonden de strijd aan met de ‘blinde gehoorzaamheid’ aan de islamitische traditie. Zij waren ervan overtuigd dat er geen tegenstrijdigheid kon zijn tussen verstand en openbaring. Alle juridische en theologische uitspraken, die islamitische geleerden eeuwenlang als wezenlijke onderdelen van het geloof geïnterpreteerd hadden, moesten voor de rechtbank van het verstand tegen het licht worden gehouden. Alleen rationeel houdbare standpunten konden gehandhaafd worden.

Europese oriëntalisten en islamwetenschappers werden door deze nieuwe beweging gefascineerd, omdat zij – naar analogie van de strijd tegen de macht van de rooms-katholieke kerk – de heerschappij van de ‘duistere geestelijkheid’ in de islam ten einde zou brengen. De modernisten bestonden uit een groep goed opgeleide literatoren, maar zij waren niet de enigen die het gezag van de klassiek gevormde religieuze geleerden aanvochten. De technologische en militaire overheersing door de Europese koloniale machten bracht enige denkers ertoe zich speciaal te interesseren voor de gouden begintijd van de islam. Die eerste eeuwen werden gekenmerkt door een gestage expansie van de islamitische rijken en een enorm zendingsbewustzijn.

Deze als salafisten bekend geworden, op het verleden gerichte vernieuwers beweerden dat de moslims door hun religieuze leiders al veel te lang een versie van hun religie voorgeschoteld hadden gekregen, die iedere islamitische inhoud ontbeerde. Door de eeuwen heen zouden religieuze waarheden in toenemende mate zijn aangelengd met geïmporteerde Griekse logica en een valse mythische leer, die de belijdenis van de eenheid van God compromitteerden. De oplossing – in christelijke termen vertaald – kon louter een sola scriptura zijn, een onversneden, frisse blik op de Koran en de uitspraken van de profeet Mohammed, zonder de ballast van een eeuwenlange interpretatietraditie. Alleen op die manier zou de welwillendheid van God herwonnen kunnen worden en een islamitische renaissance van de grond kunnen komen.

Belangrijk is om te begrijpen dat deze vroegere salafistische denkers noch in geweld waren geïnteresseerd, noch de toenmalige politieke orde waaronder zij leefden ondersteboven wilden keren. Het bewerkstelligen van vooruitgang, wetenschap en welvaart voor de islamitische wereld was voor hen net zo belangrijk als voor de modernisten. Het gevolg van deze dubbele aanval van modernistische en salafistische zijde is een diepe crisis van het religieus gezag in de hedendaagse islam.

In de loop van de twintigste eeuw kregen beide hervormingsbewegingen steun van nieuwe politieke bondgenoten: de nationale staten die uit de dekolonisatie tevoorschijn waren gekomen, trokken evenzeer van leer tegen de autonomie van de islamitische geleerden. In deze staten waren dikwijls autoritaire en radicale leiders aan de macht gekomen, die van de religie vooral één ding verwachtten: zij moest hun beleid van nationalisme, landhervormingen en dictatoriale machtsvormen zegenen. Onafhankelijke en trotse instellingen als de Al-Azhar-universiteit in Kaïro veranderden in staatsinstellingen, die onderworpen waren aan streng toezicht en die de religieuze geleerden van hun autonomie, respect en invloed beroofden.

Toen de Egyptische president Sisi tijdens zijn nieuwjaarstoespraak van de professoren van de Al-Azhar-universiteit een „religieuze revolutie” eiste, kon dat worden beschouwd als het voorlopig hoogtepunt van het uitoefenen van invloed door de staat. De soennitische Syrische groot-moefti, die gehoorzaam aan de zijde van de alawitische president Assad van Syrië op het Ramadangebed verschijnt, biedt een al net zo treurige aanblik van een religieuze persoonlijkheid die geen morele legitimiteit meer heeft. De gevolgen van deze enorme overwinning van de reformatorische krachten – modernisten, salafisten en nationale staten – op de traditionele religieuze geleerden zijn niet te overzien. De zogenaamde Islamitische Staat (IS) is daar een van de meest spectaculaire voorbeelden van.

Wat is kenmerkend voor de doctrine van IS? Oorspronkelijk apolitiek salafistisch gedachtengoed is in de loop van de twintigste eeuw versmolten met standpunten van de Egyptische moslimbroeders, die opriepen tot de directe heerschappij van God in de vorm van zijn wet en tot gewapende opstanden tegen de ongelovige, repressieve regeringen in de Arabische wereld. Het raamwerk voor zo’n synthese boden de religieuze instellingen van de oudere, maar evenzeer gedecideerd activistische hervormingsbeweging van de wahabitische islam. Die vond haar oorsprong op het Arabisch schiereiland, waar Mohammed ibn Abd al-Wahhab in de achttiende eeuw een strikt monotheïsme predikte. Het religieuze leiderschap in Saoedi-Arabië heeft deze traditie gevolgd en de afgelopen decennia steeds meer aansluiting gevonden bij salafistische standpunten.

Het is bijzonder lastig om deze synthese te doorbreken en de door dit soort hervormingen ontstane schade ongedaan te maken. Een man die deze taak op zich heeft genomen, is de Saoedische geleerde Hatim al-Auni, die op de televisie van het koninkrijk tijdens primetime werd uitgedaagd zijn controversiële thesen in het openbaar te verdedigen. Al-Auni is de overtuiging toegedaan dat Mohammed ibn Abd al-Wahhab met een reeks verkeerde denkbeelden is gekomen. Diens onvoorwaardelijke veroordeling van een meerderheid van alle moslims als ongelovigen, die door hun levenswandel het pad van het monotheïsme verlaten zouden hebben en daarom gedood zouden mogen worden, is volgens hem in het licht van de islamitische traditie onverdedigbaar. Saoedische geleerden moeten erkennen dat het probleem met IS en soortgelijke bewegingen niet is gelegen in een falsificatie van het wahabitische erfgoed, maar juist in de omzetting daarvan in de praktijk. De innovaties, de hervormingen van de achttiende eeuw en hun latere uitbreidingen, zouden moeten worden teruggedraaid.

Het is onduidelijk hoe lang Al-Auni zijn thesen in Saoedi-Arabië nog in het openbaar zal mogen uiten. Critici die vóór hem op soortgelijke wijze argumenteerden werden al snel onder huisarrest geplaatst, of werd op andere manieren het zwijgen opgelegd. De toegenomen kracht van het salafisme heeft de islamitische theologische debatten in sterke mate veranderd en het vooral die hervormers lastig gemaakt, die zichzelf als erfdragers van de modernisten zien. Het is relatief makkelijk hen te verwijten dat ze de religie louter naar eigen goeddunken en in het licht van zelf gecreëerde ‘principes’ of de ‘eigenlijke doelen van het goddelijk recht’ interpreteren.

In de publieke opinie van westerse staten wordt een belangrijke alternatieve bron voor zulke discussies binnen de islam meestal over het hoofd gezien: de complexe en veelzijdige traditie, die onder meer uit juridische opinies en korancommentaren bestaat, en zich eeuwenlang heeft opgetast. Voor het werken daarmee is niet alleen geduld en intensieve training nodig, maar juist ook de wedergeboorte van de traditionele geleerdheid, en een vernieuwing van het aanzien en de invloed van religieuze geleerden, zich onttrekkend aan de verstikkende controle van autoritaire staten.

Sommige geleerden, zoals de in Qatar woonachtige Yusuf al-Qaradawi en Tahir ul-Qadri uit Pakistan, hebben zelf het initiatief genomen en hebben hun eigen transnationale dwarsverbanden gelegd. Verkalkt of verstard is het islamitische erfgoed geenszins, maar dikwijls zijn buitenstaanders zich niet bewust van de reikwijdte van de interne debatten die in een dergelijke context worden gevoerd.

Van geleerden van dit type is geen bliksemsnelle radicale hervorming of de schepping van een of andere ‘euro-islam’ te verwachten, maar wel flexibiliteit, een nadruk op het algemeen belang en het mogelijk maken van een goed samenleven van moslims en niet-moslims, waaraan alle islamitische rechtsscholen altijd waarde hebben gehecht.

Natuurlijk hebben moslims in (West-) Europese landen als Nederland, Duitsland en Frankrijk zelf het recht om te bepalen op welke bronnen zij de interpretatie van hun religie willen baseren en in hoeverre zij achterhaalde teksten en ideeën daarbij als hinderlijk ervaren. Maar wij doen er ook goed aan onze ogen niet voor de conservatievere, zachtaardiger en daardoor onder bepaalde omstandigheden zelfs creatievere hervormingsinspanningen van traditionele geleerden te sluiten.

Dan hoeft zich niet per se een liberale vorm van de islam te ontwikkelen, want ook voor eigenzinnige, niet-gewelddadige interpretaties van de islam moet in West-Europa plaats zijn. Luidkeels roepen dat de islam nu eindelijk maar eens volwassen moet worden en een hervorming moet ondergaan, is tegen deze achtergrond contraproductief.