Het web dat we moeten redden

De Iraanse blogger Hossein Derakhshan zat zes jaar in de gevangenis. Nu is hij vrij en is het rijke, afwisselende, vrije web op sterven na dood. Waarom doet niemand daar wat aan?

Illustrtatie Aart-Jan Venema Illustratie Aart-Jan Venema

Zeven maanden geleden ging ik zitten aan een tafeltje in de keuken van mijn appartement in een levendige buurt van Teheran, en deed ik iets wat ik al duizenden malen eerder had gedaan. Ik opende mijn laptop en postte iets op mijn nieuwe blog. Dit deed ik voor het eerst sinds zes jaar, en het scheelde weinig of mijn hart werd gebroken.

Een paar weken eerder was mijn straf onverwacht kwijtgescholden en was ik vrijgelaten uit de Evin-gevangenis in het noorden van Teheran. Ik had verwacht dat ik het grootste deel van mijn leven in de cellen daarvan had moeten doorbrengen: in november 2008 was ik tot bijna twintig jaar opsluiting veroordeeld, grotendeels wegens dingen die ik op mijn blog had geschreven.

Alles voelde nieuw aan op de dag van mijn vrijlating. Het koele najaarsbriesje, het verkeerslawaai van een nabijgelegen brug, de geuren en kleuren van de stad waar ik het grootste deel van mijn leven had doorgebracht.

Om mij heen zag ik een heel ander Teheran dan wat ik gewend was. Een grote hoeveelheid nieuwe, schaamteloos luxueuze woningen was in de plaats gekomen van de charmante kleine huisjes die ik kende. Nieuwe wegen, nieuwe snelwegen, grote aantallen opdringerige SUV’s. Grote reclameborden met advertenties voor Zwitserse horloges en Koreaanse flatscreen-tv’s. Vrouwen in kleurrijke sjaals en mantels, mannen met geverfd haar en baarden, en honderden charmante cafeetjes met hippe westerse muziek en vrouwelijk personeel. Het was het soort verandering dat zich sluipenderwijs voordoet, het soort waar je alleen echt notie van neemt als het normale leven een tijdlang van je is weggenomen.

Drie likes, dat was het

Zes jaar was een lange tijd om in de gevangenis te zitten, maar online is zes jaar een heel tijdperk. Het schrijven voor internet zelf was niet veranderd, maar het lezen – of althans, het gelezen worden – wel. Dramatisch zelfs. Mij was verteld hoe belangrijk sociale netwerken waren geworden in de tijd dat ik weg was, dus ik wist één ding zeker: als ik mensen ertoe wilde verleiden mijn stukken te lezen, moest ik gebruikmaken van de sociale media.

Ik probeerde dus een link naar een van mijn verhalen op Facebook te posten, maar het bleek dat Facebook weinig interesse had. Uiteindelijk zag het eruit als een saaie rubrieksadvertentie. Geen beschrijving. Geen beeld. Niets. Ik kreeg drie likes, dat was het.

Op dat moment besefte ik dat er zaken waren veranderd. Ik was er niet op voorbereid op dit nieuwe speelveld te moeten spelen – al mijn eerdere investeringen en inspanningen waren voor niets geweest. Ik was er kapot van.

Blogs waren goud, bloggers rocksterren

Toen ik in 2008 werd gearresteerd, waren blogs goud en bloggers rocksterren. Op dat moment, en ondanks het feit dat de overheid de toegang tot mijn blog van binnen uit Iran blokkeerde, had ik iedere dag een publiek van zo’n 20.000 mensen. Iedereen waarnaar ik linkte, kreeg plotseling te maken met een enorme toename van het verkeer: ik kon iedereen naar believen grootmaken of slachten.

Mensen hadden de gewoonte mijn berichten zorgvuldig te lezen en veel relevant commentaar achter te laten. Zelfs personen die het helemaal niet met mij eens waren kwamen nog om mijn blog te lezen. Andere blogs linkten naar de mijne om te bespreken wat ik zei. Ik voelde me als een koning te rijk.

Het begon allemaal met 9/11. Ik was in Toronto, en mijn vader was zojuist uit Teheran aangekomen voor een bezoek. We zaten te ontbijten toen het tweede vliegtuig het World Trade Center binnenvloog. Ik was verbaasd en verward, en op zoek naar meningen en verklaringen stuitte ik op blogs. Nadat ik er een paar had gelezen, dacht ik: dit is het, ik moet er ook een beginnen, en alle Iraniërs aansporen hetzelfde te doen.

In die tijd hield ik een lijst bij van alle blogs die in het Perzisch verschenen, en een tijd lang was ik de eerste persoon met wie iedere nieuwe blogger in Iran contact opnam, om op die lijst te komen. Dat is de reden dat ze mij op mijn vijfentwintigste ‘de Blogfather’ noemden – een rare bijnaam, maar wel een bewijs van hoezeer ik erdoor gegrepen was.

Zes jaar geleden was de hyperlink mijn geld. De hyperlink stond model voor de open, onderling verbonden geest van het world wide web – een idee dat zijn oorsprong vond bij de bedenker van het web, Tim Berners-Lee.

Blogs waren vensters naar levens waar je zelden veel over wist, bruggen die verschillende levens met elkaar verbonden en daardoor lieten veranderen. Blogs waren cafés waar mensen verschillende ideeën uitwisselden over alle mogelijke onderwerpen waar je in geïnteresseerd zou kunnen zijn.

Sinds ik uit de gevangenis ben ontslagen, besef ik hoezeer de hyperlink zijn waarde is verloren en al bijna een relikwie geworden is.

Vrijwel elk sociaal netwerk behandelt een link nu net zo als ieder ander object – zoals een foto of een stuk tekst – in plaats van dat het die link ziet als een manier om een tekst rijker te maken.

Hyperlinks vormen de ogen, en een pad naar de ziel van dat web. Een ‘blinde’ webpagina, zonder hyperlinks, kan niet naar een andere webpagina ‘kijken’ – en dat heeft ernstige gevolgen. Apps als Instagram zijn vrijwel blind. Hun blik gaat nergens heen behalve inwaarts. Ze weigeren ook maar iets van hun enorme macht aan anderen over te dragen, waardoor die een stille dood sterven. Het gevolg is dat webpagina’s die zich buiten de sociale media bevinden wegkwijnen.

Ook voordat ik naar de gevangenis ging, werd de macht van de hyperlink al aan banden gelegd. Zijn grootste vijand was een filosofie waarin twee van de meest dominante en overgewaardeerde waarden van onze tijd werden gecombineerd: die van de nieuwigheid en de populariteit, weerspiegeld in de dominantie van jonge beroemdheden in de echte wereld. Deze filosofie heet ‘De Stroom’.

De Stroom betekent dat je niet meer zoveel websites hoeft te openen. Je hebt geen talloze tabs meer nodig. Je hebt feitelijk niet eens een webbrowser nodig. Je kunt gewoon Twitter of Facebook openen op je smartphone en er diep in duiken. De berg is naar jou toe gekomen. Algoritmen hebben al alles voor jou verzameld. Op basis van wat jij of jouw vrienden eerder gelezen of gezien hebben, voorspellen ze wat je graag zou willen zien.

Maar raken we hier niet iets kwijt? Wat verliezen we in ruil voor die efficiency?

In veel apps houden de stemmen die we uitbrengen – de likes, de plusjes, de sterretjes en de hartjes – dikwijls vooral verband met schattige avatars en een of andere beroemdheidsstatus, dan met de inhoud van wat wordt gepost. Een heel briljante bijdrage van een niet heel bekend iemand weet zo niet tot de Stroom door te dringen, terwijl de stompzinnige zieleroerselen van een of andere beroemdheid onmiddellijk het hele internet overgaan.

Nieuwe, afwijkende en uitdagende ideeën worden door de hedendaagse sociale netwerken onderdrukt, omdat hun ‘ranking’-strategieën de voorkeur geven aan dat wat populair en doorsnee is.

Maar het engste gevolg van de centralisatie van informatie in het tijdperk van de sociale netwerken is van een andere aard: we worden er allemaal veel zwakker door tegenover overheden en bedrijven.

Ironisch genoeg weten staten die samenwerken met Facebook en Twitter veel meer over hun burgers dan staten als Iran die een stevige greep op internet hebben, maar geen wettelijke toegang tot sociale mediabedrijven.

Wat nóg beangstigender is dan louter in de gaten te worden gehouden is gecontroleerd worden. Als Facebook ons na 150 likes beter kent dan onze ouders, en na 300 likes beter dan onze echtgenoten, blijkt de wereld redelijk voorspelbaar. En voorspelbaarheid betekent controle.

Dit is niet het web dat ik kende

Toen het web werd uitgevonden, was het niet bedacht als een soort televisie. Maar als ik inlog op Facebook start ik mijn persoonlijke televisiezender: al wat ik hoef te doen is scrollen. Ik klik zo nu en dan op een like- of share-knop, lees de commentaren van anderen of laat er zelf een achter, of open een artikel. Maar ik blijf binnen het domein van Facebook, en Facebook blijft mij aanbieden wat ik leuk zou kunnen vinden. Dit is niet het web dat ik kende toen ik naar de gevangenis ging. Dit is niet de toekomst van het web. Deze toekomst is televisie.

Soms denk ik dat ik te streng word nu ik ouder word. Misschien is dit allemaal een natuurlijke technologische ontwikkeling. Maar ik kan mijn ogen niet sluiten voor wat er aan het gebeuren is: er is sprake van een verlies aan intellectuele kracht en diversiteit, en van een teloorgang van de grote mogelijkheden die het web zou kunnen hebben in deze getroebleerde tijd. In het verleden was het web machtig en serieus genoeg om me in de gevangenis te doen belanden. Vandaag de dag voelt het als weinig meer dan entertainment. Zozeer dat zelfs Iran een aantal nieuwe verschijnselen – zoals Instagram – niet eens serieus genoeg neemt om ze te blokkeren.

Ik mis het dat mensen de tijd namen om blootgesteld te worden aan verschillende meningen, en de moeite namen om meer te lezen dan slechts één paragraaf of 140 tekens. Ik mis de dagen dat ik iets op mijn eigen blog kon schrijven, en iets binnen mijn eigen domein kon publiceren, zonder eenzelfde hoeveelheid tijd te moeten besteden aan het propageren van deze schrijfsels op talloze sociale netwerken; ik mis de tijd dat niemand iets gaf om likes en shares.

Dat is het web dat ik me van vóór de gevangenis herinner. Dat is het web dat we moeten redden.