Het einde van de Koerdische hoop

Vrede leek in zicht, maar nu is het conflict tussen Turkije en de Koerdische PKK weer opgelaaid. De Koerden in Diyarbakir houden hun hart vast. De jongerenbeweging van de PKK is vastbesloten om verzet te bieden.

De dreiging van oorlog hangt dinsdagavond boven Diyarbakir, de grootste Koerdische stad in het oosten van Turkije. De straten zijn nagenoeg uitgestorven. Zwarte pantservoertuigen met waterkanonnen op het dak staan als roofdieren op wacht bij de historische verdedigingsmuren om de oude stad. Af en toe klinkt het gebrul van een opstijgende straaljager, die op weg gaat naar de kampen van de Koerdische Arbeiderspartij PKK in de bergen van Noord-Irak.

Later op de avond duiken in het centrum van Diyarbakir gewapende jongeren met bivakmutsen op. Het zijn leden van de jeugdbeweging van de PKK. In de nauwe straatjes van de oude stad werpen ze barricades op van zandzakken en vuilnisbakken. Er hangen spandoeken uit solidariteit met Rojava, zoals de Koerden hun autonome gebied in Noord-Syrië noemen.

„We gaan ons niet als schapen laten afslachten”, zei een leider van de jeugdbeweging eerder op de dag strijdbaar. Hij wil anoniem blijven omdat tientallen van zijn kameraden afgelopen week zijn opgepakt. „We zullen onze mensen organiseren en de straat op gaan, om duidelijk te maken dat we het niet eens zijn met deze oorlog. Als de politie ons aanvalt zullen we onszelf verdedigen met stenen en molotov-cocktails.”

Het conflict tussen Turkije en de PKK is de afgelopen weken in razend tempo weer opgelaaid. Van de fragiele vredesbesprekingen die beide partijen hielden sinds 2012, en die een einde moesten maken aan drie decennia van oorlog, is niets meer over. De aanslag in de Turks-Koerdisch grensstad Suruç, waarbij vorige week maandag 32 linkse activisten om het leven kwamen, leidde tot een spiraal van geweld en vergelding.

De inwoners van Diyarbakir wachten angstvallig op wat komen gaat. Sinds de stichting van de Turkse Republiek in 1923 is de stad het brandpunt van de Koerdische strijd voor zelfbeschikking. Bij velen ligt de bloedige burgeroorlog van de jaren negentig nog vers in het geheugen. Uit wraak voor de guerrilla van de PKK verwoestte het Turkse leger duizenden Koerdische dorpen, wat leidde tot een massale toestroom van ontheemden naar Diyarbakir. Zal de geschiedenis zich herhalen?

De recente gebeurtenissen maken in een klap een eind aan de hoop die gloorde bij de Koerden, een etnische groep van 40 miljoen mensen, die zijn verspreid over Turkije, Syrië, Irak en Iran. De afgelopen jaren leken ze de geschiedenis juist aan hun kant te hebben.

De Koerden bestendigden hun autonome regio in Noord-Irak, die bulkt van de olie. Ze veroverden bijna het hele noorden van Syrië, waar ze een communistisch zelfbestuur vestigden. Ze zijn de effectiefste bondgenoot van het Westen in de strijd tegen de Islamitische Staat (IS) in Irak en Syrië. PKK-leider Abdullah Öcalan begon vanaf het gevangeniseiland Imrali, waar hij sinds 1999 gevangen zit, vredesbesprekingen met de Turkse regering. En na de parlementsverkiezingen in juni kwam er voor het eerst een pro-Koerdische partij in het Turkse parlement.

De lang gekoesterde droom van een eigen staat, of tenminste autonomie en gelijke rechten in Turkije, leek eindelijk binnen handbereik.

Hoe hebben de kansen zo snel kunnen keren?

De zege in Kobani

Voor een antwoord op die vraag moeten we naar de Syrische grensstad Kobani, die zich als eerste Koerdische enclave onafhankelijk verklaarde van de regering in Damascus en uitgroeide tot een symbool van verzet en van verbroedering onder de notoir verdeelde Koerden. De stad werd vorig jaar grotendeels verwoest toen IS-strijders een offensief lanceerden om de stad te veroveren op de YPG, de belangrijkste militie van de Syrische Koerden. Na maanden van gevechten wist de YPG de extremisten begin dit jaar te verdrijven – met Amerikaanse luchtsteun.

Maar de Turkse president Recep Tayyip Erdogan was helemaal niet blij met de Koerdische zege. Toen Turkse Koerden hun Syrische broeders te hulp wilden schieten met wapens en strijders, stak Erdogan hier een stokje voor. Het leidde tot hevige rellen van Koerdische jongeren in Diyarbakir en andere Turkse steden, waarbij 19 doden vielen. Na zware Amerikaanse druk stond Erdogan wel toe dat Koerdische peshmerga’s uit Noord-Irak via Turks grondgebied naar Kobani kwamen.

„Het was een enorm emotioneel moment voor alle Koerden”, zegt Muhammed Ali Ahmed, een Koerdische journalist uit Kobani die getuige was van de intocht. „Duizenden Koerden stonden in Turkije langs de weg om het konvooi van de peshmerga’s toe te juichen. Iedereen was vervuld van hoop op de vereniging van de Koerden.”

Het begin van de reactie

In Turkije groeide de vrees dat de Koerdische successen in Syrië de separatistische sentimenten onder de Turkse Koerden zouden aanwakkeren. Erdogan beschuldigde de VS ervan Koerdische ‘terroristen’ te steunen. Hij noemde de YPG, die nauw gelieerd is aan de PKK, een ‘grotere bedreiging’ dan IS en verklaarde zowel IS als de PKK de oorlog.

Maar sinds vorige week vrijdag heeft het Turkse leger geen doelen van de moslimextremisten meer bestookt. Wel voerden Turkse straaljagers de hele week zware bombardementen uit op kampen van de PKK in Noord-Irak. En van de 1.302 mensen die zijn opgepakt bij de grootschalige anti-terreurcampagne in Turkije, worden er 847 beschuldigd van banden met de PKK, en slechts 137 van banden met IS.

Ook sloot Turkije een akkoord met de Verenigde Staten over het gebruik van Turkse luchtmachtbases voor bombardementen op IS, én over de vestiging van een ‘veilige zone’ in Noord-Syrië van 109 kilometer breed. Officieel is dit een buffer tegen IS, maar volgens de Koerden wil Turkije zo voorkomen dat het Koerdische gebied Rojava het hele grensgebied beslaat.

„De Amerikanen hebben ons verraden”, meent Ahmed. „De Amerikanen zien de PKK ook als een terroristische organisatie en ze weten heel goed dat de YPG daar onderdeel van is. Zolang Turkije zich afzijdig hield van de strijd tegen IS, waren de PKK en YPG handige bondgenoten. Nu Turkije zijn luchtmachtbases heeft opengesteld zijn ze niet meer nodig.”

In Suruç

De ruïnes van Kobani zijn vanaf de heuvels bij het Turkse grensstadje Suruç goed te zien. Ze getuigen van de maandenlange straatgevechten en bombardementen. Suruç was een ideaal doelwit voor IS. Het stadje wordt bestuurd door de pro-Koerdische partij HDP, die zijn sympathie voor de PKK en Rojava niet verhult. Honderdduizenden vluchtelingen uit Kobani hebben er onderdak gekregen. Veel inwoners van Suruç vechten over de grens tegen IS.

In cultureel centrum Amara, waar de aanslag werd gepleegd, toont een 15-jarige strijder het litteken van een kogel die hij in zijn been kreeg. Elders in de stad wordt een condoleance gehouden voor drie omgekomen strijders van de YPG.

Zehra Yanardag, een jonge Koerdische vrouw met een lange, zwarte vlecht, zegde haar baan als lerares op om de vluchtelingen uit Kobani te helpen. Ze overleefde de aanslag van vorige week ternauwernood. „Ik heb de afgerukte armen en benen verzameld”, zegt ze terwijl ze de ene na de andere sigaret rookt. „Bij sommige slachtoffers waren de oogballen uit de kassen gesprongen. Ik wil elk beeld opslaan in mijn geheugen, maar ik wil het ook vergeten.”

Zoals veel Koerden beschuldigt Yanardag de Turkse regering van medeplichtigheid aan de aanslag. „De inlichtingendienst heeft de dader drie maanden gevolgd. Hoe is het mogelijk dat hij hier ongemerkt binnen kon komen? Na de aanslag kon de politie wél negentien Koerdische jongeren in Suruç arresteren. Ze werden thuis van hun bed gelicht, zoveel inlichtingen had de politie.”

Later op de dag staan acht jongeren terecht. De rechtbank van Suruç is veranderd in een vesting, met pantserwagens en tientallen zwaarbewapende agenten. Verderop zitten groepjes vaders en moeders urenlang in de brandende zon te wachten op het vonnis.

Een van de beklaagden is Yasin Chgan, die op Cyprus een opleiding volgt voor sportleraar en de zomervakantie doorbracht bij zijn ouders in Suruç. „Na de aanslag ging hij kijken of hij kon helpen”, vertelt zijn moeder, een kleine, kranige vrouw met een getekend gezicht. „Hij heeft een man die een been was verloren naar het ziekenhuis gedragen. Daarna was hij zo getraumatiseerd dat hij het huis niet uit kwam. Hij heeft niets misdaan.”

Na acht uur wachten komt het verlossende woord. De rechter heeft iedereen vrijgesproken. Maar nog voordat de beklaagden de rechtbank konden verlaten, heeft de openbaar aanklager ze opnieuw laten arresteren. De moeders zijn woedend en gaan verhaal halen bij de agenten. Die geven geen krimp.

Einde van de vrede

Na de luchtaanvallen op Qandil verklaarde de PKK dat de vredesbesprekingen „geen betekenis meer hebben”. Maar veel analisten denken dat de PKK niet de mensen en middelen heeft om een grootschalige opstand te beginnen in Turkije, zoals in de jaren negentig, omdat de partij veel strijders naar Irak en Syrië heeft gestuurd. De jeugdbeweging van de PKK lijkt meer chaos te kunnen veroorzaken, zoals bij de rellen in oktober vorig jaar.

De beweging bestaat uit lokale raden van studenten, werklozen en arbeiders in alle Turkse provincies, die zijn gelieerd aan de PKK maar formeel niet onder haar bevel vallen. Het ledental is de afgelopen jaren sterk gegroeid. „We kunnen 10.000 mensen mobiliseren”, zegt de leider van de beweging in een kantoor in Diyarbakir. Uit frustratie over het gebrek aan vooruitgang in het vredesproces, en geïnspireerd door Rojava, zijn de leden de visie van Öcalan in de praktijk gaan brengen.

In sommige steden hebben ze alternatieve rechtbanken opgezet om geschillen op te lossen. Ook proberen ze de rol van de politie over te nemen door wegblokkades op te werpen. In de stad Cizre hebben ze vorig jaar zelfs hele wijken afgesloten voor de politie nadat twee jongens bij een betoging waren doodgeschoten. „Om onszelf te verdedigen tegen de aanhoudende arrestaties van onze leden hebben we twee jaar geleden gewapende burgermilities opgericht”, zegt de jongerenleider. „Ze zijn nu uitgeweken naar de bergen, dichtbij de guerrilla’s van de PKK. ”

Geen Turkse regering

Het conflict met de Koerden laait op terwijl Turkije zonder regering zit. Doordat de pro-Koerdische partij HDP bij de parlementsverkiezingen in juni de kiesdrempel haalde, raakte de regerende AK-partij haar meerderheid kwijt. Het was een persoonlijke nederlaag voor Erdogan, die volop campagne had gevoerd voor de invoering van een presidentieel systeem.

De gesprekken over de vorming van een coalitie hebben nog niets opgeleverd. Critici zeggen dat Erdogan de formatie bewust frustreert om aan te sturen op nieuwe verkiezingen.

Daarnaast heeft hij frontaal de aanval geopend op de HDP, die een bemiddelende rol speelt in de vredesbesprekingen met de PKK. Hij heeft deze week het parlement gevraagd om de immuniteit van de volksvertegenwoordigers van de HDP op te heffen, zodat ze „de prijs kunnen betalen” voor hun „banden met terroristische groeperingen”.

In een lang interview met de Turkse krant Hürriyet ontkent Demirtas dat zijn partij wordt aangestuurd door de PKK. „ Wij spelen slechts een bemiddelende rol in het vredesproces. (...) Dat is een waardevolle functie voor iedereen. We zijn de enige partij die kan praten met de Turkse regering in Ankara, het PKK-leiderschap in de Qandilbergen in Noord-Irak, en Öcalan op Imrali.”

Volgens journalist Ahmed zijn de Koerden voor de zoveelste keer in hun geschiedenis speelbal van de buitenlandse machten. „Of het oorlog wordt of vrede is niet in handen van Turkije en de PKK. De huidige grenzen in het Midden-Oosten zijn getrokken door Frankrijk en Groot-Brittannië. Die grenzen moeten veranderen, maar het Westen heeft grote moeite de nieuwe realiteit te aanvaarden.”