Het begin van het einde van big oil?

De lage olieprijs dwingt de oliereuzen tot grotere risico’s. De wereld van de fossiele brandstoffen staat onder druk.

Foto Akos Stiller / Bloomberg

Regelrecht verlies voor BP, tientallen procenten minder winst voor Shell en andere grote oliemaatschappijen. De lage olieprijs – binnen een jaar is de prijs voor een vat gehalveerd van 110 naar 53 dollar – trekt een zware wissel op big oil. Bij de presentatie van de halfjaarcijfers deze week bleken alle grote spelers zich voorlopig neer te leggen bij een prijs van rond 60 dollar per vat.

Dat lijkt verstandig, want de overproductie die aanleiding is geweest voor de prijsdaling houdt aan. Saoedi-Arabië weigert nog steeds de rol van ‘balansland’ te spelen en de kraan een beetje dicht te draaien. Het land is niet langer de hoeder van de organisatie van olie-exporterende landen OPEC, maar slechts van zijn eigen belang: het beschermen van zijn marktaandeel tegenover Amerikaanse concurrentie.

Binnen de OPEC woedt al maanden een strijd om de productie te beperken. Landen als Venezuela en Nigeria zien de bodem van hun schatkisten in zicht komen, nu die olie-inkomsten achterblijven.

Maar Saoedi-Arabië buigt niet. Het land heeft onlangs, samen met Irak, de productie nog verder verhoogd. In plaats van de afgesproken 30 miljoen vaten per dag produceert de OPEC er nu 32 miljoen, terwijl de vraag slechts 29 miljoen vaten bedraagt.

Nu al schieten er dus iedere dag 3 miljoen vaten over en dat wordt alleen maar erger. Want voor de rede van Iran liggen de supertankers klaar om uit te varen zodra de handelsbeperkingen worden opgeheven. De Franse minister van Buitenlandse Zaken Laurent Fabius was deze week al in Teheran om onder meer een goed woordje te doen voor het Franse Total.

De oliewereld wil graag een graantje meepikken van de Iraanse oliebonanza die naar verwachting volgt zodra de nucleaire overeenkomst tussen Iran en de grootmachten is afgerond.

Intussen lijkt Saoedi-Arabië de slag met de Amerikaanse schalie-olie te verliezen. Even leek het Saoedi-Arabische plan te werken en haperde de groei van nieuwe Amerikaanse putten, als gevolg van de dalende olieprijs. Maar de werkelijkheid bleek anders te liggen: er werden wel minder putten geboord maar door de inzet van nieuwe technologie bleef de productie toch nagenoeg gelijk.

Het einde van de overproductie is dus nog niet in zicht en de grote oliemaatschappijen zijn gedwongen hun strategieën aan te passen met nadruk op minder investeringen en meer bezuinigingen.

Investeringen massaal opgeschort

Het Britse energie-onderzoeksbureau Wood Mackenzie berekende deze week dat de grote maatschappijen inmiddels 46 grote projecten ter waarde van 200 miljard dollar (180 miljard euro) in de ijskast hebben gezet. Het gaat onder meer om het Britse BP, het Nederlands-Britse Shell, het Amerikaanse Chevron, het Noorse Statoil en het Australische Woodside Petroleum.

In theorie zou het uitstel van nieuwe investeringen op zeker moment moeten leiden tot een nieuwe balans tussen vraag en aanbod. Maar dat kost tijd: investeringen in de olie- en gaswereld sorteren hun effect pas op de langere termijn.

Of de investeringen in fossiele brandstoffen ooit weer zullen terugkeren op het oude niveau is een heel andere vraag. Als het aan de voorstanders van duurzame energie ligt betekent de investeringsdip het begin van het einde van fossiele brandstoffen. De lobby tegen het gebruik van fossiele brandstoffen krijgt steeds meer voet aan de grond. De Nederlandse pensioeninvesteerder APG protesteert tegen de voorgenomen activiteiten van Shell voor de kust van Alaska; het Noorse staatsfonds investeert niet langer in steenkool.

Maar Lucia van Geuns, energiedeskundige bij TNO, verwacht nog geen definitieve omslag. Zij denkt dat de grote investeerders wereldwijd voorlopig hun geld in de grote fossiele energiemaatschappijen zullen blijven steken. „De gegarandeerde dividenden zijn daarbij een belangrijke overweging, evenals de overtuiging dat olie ook op termijn een belangrijke rol zal blijven spelen. Met name in het transport.”

Intussen proberen bedrijven als BP, Shell, Total, ExxonMobil en Chevron elk op hun eigen manier een nieuw evenwicht te vinden in de veranderende markt. Voor BP zou dat een overname kunnen betekenen, mogelijk door ExxonMobil. De ramp met de Deepwater Horizon in 2010 in de Golf van Mexico heeft het bedrijf inmiddels bijna 55 miljard dollar gekost en nog is het proces van schadevergoeding niet afgerond. De lage olieprijs maakt het uitgeholde bedrijf rijp voor overname.

Shell neemt grotere risico’s

Het Nederlands-Britse Shell heeft de vlucht naar voren gekozen met de overname voor 70 miljard dollar van de BG-Group , een belangrijke speler op de LNG-markt (vloeibaar gas). Maar hiermee neemt het wel een gok, zeggen ingewijden. De BG-Group is nauw verbonden met Petrobras, dat diep verwikkeld is in het Braziliaanse corruptieschandaal. Energie-expert Nick Butler schreef onlangs in de Financial Times dat Shell op dit moment opvallend veel risico’s neemt.

Ook het Poolavontuur van Shell wordt als een fors risico gezien. Niet alleen vanwege de felle tegenstand van milieuactivisten die betogen dat de boringen de unieke natuur bedreigen. Gisteren nog kon een ijsbreker die absoluut ter plekke moet zijn voordat Shell kan beginnen met de proefboringen, ternauwernood uitvaren uit de haven van Portland na protest van Greenpeace.

Volgens Van Geuns zal de operatie in de Chukchi-zee ook de duurste zijn uit de geschiedenis. „Dat loont alleen maar als je kunt rekenen op een hogere olieprijs en op een enorme hoeveelheid olie”, stelt ze. Of dat het geval zal zijn, wordt pas over meer dan tien jaar duidelijk als de eerste olie gaat stromen.

Ook een gok dus. De lage olieprijs dwingt de olieproducenten voorlopig alleen maar tot steeds grotere risico’s.