Gast, wake up

Journalist Max van Weezel en Alexander Klöpping, oprichter van krantensite Blendle in gesprek over journalistiek, targets, engagement en of dat samen gaat. „Ik zit met een enorme koker naar de wereld te kijken, maar ik kan er toch niet veel invloed op uitoefenen.”

Politiek journalist en presentator Max van Weezel en internetondernemer Alexander Klöpping ontmoeten elkaar voor het eerst, op het terras van het hotel. Eind van de middag, glaasje fris, het is warm.

Ter voorbereiding op dit gesprek hebben ze toevallig allebei dezelfde persoon gesproken, over elkaar. Een journalist van Vrij Nederland, een collega van Van Weezel die Klöpping ook kent.

En?

Klöpping: „Hij verwacht dat Max de rol van oude journalist moet gaan spelen en ik de rol van jong internetmens. Dus ga ik de hele tijd clichématige internetdingen zeggen en moet jij de oude brompot spelen.”

Van Weezel: „Haha, dat kan ik.”

En andersom?

Van Weezel: „Ik moest uitkijken voor indringende vragen die Alexander kan stellen over of ik wat van mijn leven heb gemaakt en of ik niet overal spijt van heb. Voor de interviewers hoef ik niet bang te zijn, heb ik begrepen.”

Oké. Bier, iemand?

De mannen voegen zich meteen naar hun rol. Alexander Klöpping, baas van ‘onlinekiosk’ Blendle waar je losse kranten- en tijdschriftartikelen kunt kopen, bedenkt een start-up voor het uitwerken van gesproken memo’s naar UberPopmodel als hij de recorders op tafel ziet. Max van Weezel, die al sinds 1976 Haagse journalistiek bedrijft voor onder meer Vrij Nederland, bekent dat hij zijn krantenknipselverzameling die hij sinds 1976 bijhoudt, uit sentiment niet weg kan gooien.

Even later vertelt hij smakelijk over filmpjes van het collectief Politieke Junkies. Eentje ging over Pechtold die aan het flyeren is voor de verkiezingen. Van Weezel: „Hij hield de flyer op ooghoogte, zodat mensen hem móésten aankijken. En daarna weg. En alle mensen in rolstoel vermijden, want de tv wil hem natuurlijk alleen maar in beeld met kiezers die klagen over hun persoonsgebonden budget.”

Klöpping: „Hahaha.”

Van Weezel: „Rutte doet dat niet. Staat er in een winkelcentrum in Amstelveen een man met de arm helemaal in de mitella, slaat Rutte hem op de schouder en zegt: komt wel goed!”

Klöpping klapt in zijn handen en doet Rutte na. „Súper!”

Van Weezel: „Gááf!”

Een start-up die na een jaar op 13 miljoen euro wordt gewaardeerd, de Haagse journalistiek. Het moet allebei enorm veel tijd en energie eisen. Houden ze dat vol? Wordt dat thuis gepikt?

Van Weezel, tegen Klöpping: „Jij eerst.”

Klöpping: „Hoezo??”

Max lacht, maar zegt niks.

Klöpping is zeven jaar samen met zijn vriendin. „Als ik veel moet reizen ben ik weken weg, dat is dan kut. Maar thuis… er is een verschil tussen aanwezig zijn en aanwezig zijn. Met of zonder telefoon. Ik vind dat moeilijk, aanwezig zijn. Omdat er de hele tijd vragen zijn.”

Van Weezel: „Zeven jaar, dat is een gevaarlijk moment.”

Klöpping: „Ja?”

Van Weezel: „De seven year itch.”

Klöpping: „Oh, dat is een ding?”

Van Weezel: „Ja.”

Journalistenfamilie

Van Weezel heeft ’m overleefd. „Maar dat is te danken aan het feit dat mijn vrouw uit een journalistenfamilie komt. Haar vader ging ook alle borrels op het Binnenhof af.” Max van Weezel is getrouwd met journalist Anet Bleich.

Klöpping: „Maak je lange uren?”

Van Weezel: „Toen? Ja, absurd!”

Klöpping: „Wat dan?”

Van Weezel: „Parlementaire journalistiek is gewoon een heel raar leven. Het werd geregeld 4 uur ’s nachts. En heel veel drank. Wat politici dronken, dat was niet normaal.”

Klöpping: „Echt? Allemaal onder de bankjes?”

Van Weezel: „Er waren cafeetjes, en kamers die ten onrechte koffiekamer heetten, maar waar Marcel van Dam al om 11 uur ’s ochtends aan de whisky zat. Daar deed je als journalist snel aan mee. En bij gebrek aan een nachttrein bleef je maar op iemands sofa slapen.”

„Tien jaar geleden ging het echt mis, toen was ik adjunct-hoofdredacteur van Vrij Nederland. Mijn dochter, toen tiener, had anorexia en maakte ons eigenlijk hele bittere verwijten: als ik niet door zo’n knettergek journalistenechtpaar was opgevoed... Ze had het beeld van een vader die altijd weg is, zwervend over het Binnenhof. Dat was wel correct. En een moeder die dan wel thuis is, maar de hele dag op CNN naar de Balkanoorlog kijkt en de Golfoorlog en de Twin Towers. Wat ook wel correct was.”

Klöpping: „Het komt door jullie.”

Van Weezel: „Ja. Het was wel erg. Die gezinstherapeut pakte ons nogal hard aan.”

Terecht?

Van Weezel aarzelt even: „Ja. Ik denk wel dat ik te lang gefocust was om bij de toptien van de Haagse journalistiek te horen.”

In die periode ging hij weg als adjunct-hoofdredacteur en werd freelancer. Is hij blij dat de druk nu minder is? Nog een aarzeling. „Ja. Nee. Nou ja, de prijs die je betaalt, is minder scoops. En dat Mark Rutte je pas als vijftiende te woord staat. Die pikorde, ik heb nog nooit zo’n pikorde gezien als in de Haagse journalistiek. Maar soms denk ik nog wel: ik had die primeur moeten hebben.”

Klöpping: „Waar gaat het dan om? Dat jij dingen ziet die anderen niet zien? Voor wie is dat dan belangrijk?”

Van Weezel: „Het nette antwoord is dat je het belangrijk vindt dat de waarheid boven tafel komt.”

Klöpping: „Ja. Maar...”

Van Weezel: „Wat je echt belangrijk vindt, is of de minister-president je serieus neemt. Dat Jeroen Dijsselbloem tegen jóú zegt: dit vertel ik natuurlijk exclusief aan jou, want jij begrijpt het echt.”

Klöpping: „Het gaat dus vooral om de >> >> strijd tussen journalisten?”

Van Weezel: „Ja.”

Klöpping: „Kun je dat relativeren?”

Van Weezel: „Nee, dat kon ik niet. Nog steeds niet, nee. Ik ben al geruime tijd aan het afkicken. Al tien jaar.”

Apple News

Of Alexander ook zo competitief is?

Klöpping: „Nee. Dat voel ik niet zo. Misschien als er concurrentie komt. Nu komt Apple met Apple News, dat zit voorgeïnstalleerd op telefoons. En álle Amerikaanse kranten doen mee. In hun eigen vormgeving.”

Hij is stil.

Dat is zo’n beetje wat jij doet met Blendle, proberen we voorzichtig.

Klöpping: „En het is nog gratis ook! Mijn vriendin wilde praten over de dag enzo, maar ik las dat en zei: praat niet tegen mij.”

Weer stil. Hij bestelt bitterballen met koffie. Van Weezel waarschuwt dat dat een beroerde combinatie is, Klöpping wil het toch.

Wij: „Wat denk je dan, over Blendle?”

Klöpping: „Ik zit gelijk on message mode. Ik bedenk wat ik vind. Voor de buitenwereld, voor het personeel. Ik vind het dus heel mooi dat ons idee gevalideerd wordt door het grootste computerbedrijf ter wereld, er zit blijkbaar iets in, in wat wij doen.”

Wij: „Maar dat is het persbericht…”

Klöpping praat door: „…de waarde van de merken is enorm groot.”

Maar nou het echte antwoord.

Klöpping: „Fucking hell! Zo kut! Want ze gaan ook nog een mix maken van een algoritme en redacteuren die een persoonlijke krant voor je samenstellen, met de backing van alle grote kranten...”

Is dat zijn verdedigingsmechanisme, meteen bedenken wat je tegen een journalist zegt?

Klöpping: „Dat dwingt je structureler te denken. Misschien ben ik een enorme control freak, maar het helpt me erg.”

Hij gaat niet eerst met zijn hoofd onder een kussen liggen?

Klöpping: „Nee, zo erg was het niet.”

Van Weezel, ironisch: „Ach ja, het is Apple maar.”

Klöpping: „Elke start-up is bang om kapot te worden gemaakt door Apple, Facebook, Google of Amazon. Maar uitgevers haten Google en Amazon, en ons niet.”

Van Weezel: „Ja, de goodwill van Blendle is gigantisch, dat is mooi.”

Klöpping: „Dat mag ook wel, we komen gratis geld brengen.”

De bitterballen worden op tafel gezet. Max van Weezel wil weten wat de taakverdeling tussen Klöpping en zijn compagnon Marten Blankesteijn is.

Klöpping: „Marten doet Duitsland.”

Van Weezel: „Hahaha, Marten doet Duitsland. Allright.”

Klöpping, met een grijns: „En ik doe Frankrijk en Amerika.”

Van Weezel trommelt van plezier op tafel. „Alexander takes Manhattan and Marten takes Berlin.”

Volgers

Klöpping en Van Weezel komen terug van een rondje door het bos met de fotograaf. Alexander Klöpping plaatst een foto van Max van Weezel op een boomstam op zijn Instagram met 10.000 volgers en op z’n Twitter met 256.000 volgers. Van Weezel trekt meteen zijn telefoon. Daar kijkt hij tijdens het gesprek sowieso al om de tien minuten op, naar Facebook, Twitter, Whatsapp, mail. We vertellen het hem.

Van Weezel: „Oh, Jezus, doe ik dat? Wat onbeschoft.”

Klöpping doet dat subtieler, die kijkt af en toe tersluiks op zijn Apple Watch. „Mijn vriendin maakt me kapot als ik tijdens een gesprek mijn telefoon pak.”

Van Weezel houdt nauwlettend in de gaten hoeveel hartjes de Instagramfoto van de volgers krijgt. Tegen Klöpping, met z’n ogen op het scherm: „Ben je nou bezig met de macht die je langzamerhand hebt met Blendle?”

Klöpping: „Macht?”

Van Weezel: „Heel veel journalisten zitten inmiddels te sidderen of ze geliked worden.”

Klöpping: „Dat zou ik eerlijk gezegd een hele goeie...”

Van Weezel: „..stok achter de deur vinden.”

Klöpping: „Het gaat me niet om macht, maar of journalisten er rekening mee houden of hun stuk wordt gelezen of niet.”

Van Weezel: „Ik weet nog dat bij Vrij Nederland zo’n traffic-meter kwam, die is al weer weg. Die telde hoe vaak iets werd gelezen. Dat was vloeken in de kerk, want het gaat om de inhoud, hè, niet of je bekeken wordt. Er maakt zich een soort paniek van je meester. Ik heb weleens iemand horen roepen: hé, ik stond net nog in de toptien en nu niet meer!”

Klöpping: „Wat vind je van die cijfermatige benadering?”

Van Weezel: „Ik keek er met verbijstering naar. Maar na een paar maanden denk je: het kan geen kwaad dat journalisten denken over hoe ze iets aan kunnen prijzen. Journalisten zijn arrogant. Die vinden: als je te dom bent om mijn briljante artikel te begrijpen...” Toen ik bij Vrij Nederland kwam, zag je een grote, mooie foto door de dag heen steeds kleiner worden, omdat het stuk langer moest van de auteur. Maar…”

Maar wat?

Van Weezel: „Maar het had ook wel iets moois, journalistiek in die tijd. Er zat heel veel engagement in.”

Klöpping: „Ja, ik had die tijd graag meegemaakt. Net zoals ik de dotcombubble graag zou hebben meegemaakt. Iedereen was gek geworden.”

Van Weezel: „Jaaaa, maar journalisten hadden toen echt een boodschap voor de wereld. We moesten de lezer verheffen, opvoeden. Het was heel betuttelend, maar dit waren de onderzoeksjournalisten van wie iedereen nu zegt: hadden >> >> we die nog maar.”

Nu staat Klöpping op scherp. „Jij legt een link tussen...”

Van Weezel: „Er is nu meer discipline, er zijn meer deadlines. Dat is niet hoe Seymour Hersh, die de misstanden in Abu Ghraib ontdekte, werkt. En daar speelt de komst van Blendle een rol in.”

Klöpping, fel: „Hoe dan?”

Van Weezel: „Als je je meer bewust bent dat journalistiek een vraageconomie is, en niet een aanbodeconomie...”

Klöpping: „Het vullen van steeds dikkere kranten hoeft voor mij niet. En dat gaat juist ín tegen Blendle.”

Van Weezel: „Ja, ja, ik vond het belangrijk om te zien dat het portret van Mark Rutte van mij en Thijs Broer op Blendle heel veel hartjes kreeg.” Op Rutte-toon: „Gááf”.

„Ik heb net een stuk geschreven met een collega en dan denken we een hele dag: hoe zullen we beginnen? Dat deden we een jaar geleden niet.”

Klöpping: „En komt dat door Blendle?”

Van Weezel: „Ja, dat vind ik wel.”

Klöpping, oprecht verheugd. „Wauw.”

Goed onderzoek

We willen beter begrijpen waarom Max denkt dat Blendle en geëngageerde journalistiek elkaar uitsluiten. Van Weezel is voorzichtig: „Hoe kun je nou in die nieuwe constellatie waar Alexander één van de protagonisten van is goed onderzoek vasthouden? Die jonge journalisten van nu moeten snel snel een stukje voor de site en een blokje voor de radio en tv maken, en daar worden maar targets aangekoppeld.”

Lange onderzoeksstukken, of stukken waar veel werk in zit, verkopen juist goed op Blendle, zegt Klöpping. Stukken die andere media overschrijven niet. Klöpping: „Gek genoeg word ik altijd in het hoekje gezet alsof ik daar vóór ben, maar ik vind dat verschrikkelijk. Alle liefde wordt eruit geramd.”

Het eten arriveert. Max van Weezel pruilt. „Niemand heeft me gewhatsappt in al die uren.” Hij checkt de Instagramfoto van Alexander Klöpping. Die heeft veertig hartjes inmiddels. „Best oké hoor”, vergoelijkt Klöpping.

Van Weezel: „Als tegen twaalf uur nog niemand me gebeld heeft, denk ik: ze zien me niet meer staan, het is afgelopen. Dan moet ik echt naar buiten, hopen dat iemand me herkent. Misschien ben ik daarom zo verslaafd aan de iPhone. Het geeft de illusie van connected zijn.” Hij draait zijn telefoon om.

Klöpping: „Ik lees de hele dag Blendle op Twitter. Als we terug zijn van vakantie op Schiphol en er is lekker Hollands 4G, dan ga ik meteen Twitter refreshen, echt dopamineshots. Mijn vriendin vindt dat wel heel irritant. Maar ze vindt me nog wel steeds leuk, hoor. Dat jongleren lukt me wel.”

Hoort Van Weezel nu zijn jongere zelf praten?

Van Weezel, tegen ons: „Nee, ik was maniakaler bezig toen. Ik vind Alexander relaxter.”

Klöpping: „Ik voel niet zoveel druk. Misschien maakt dat me extreem arrogant, maar ik ben niet zo snel onder de indruk van iets of iemand. Misschien ten onrechte hoor, we staan nu 3,5 miljoen euro rood. Maar volgens mij komt het wel goed.”

Van Weezel: „Die zorgeloosheid, die heb ik totaal niet. Ik kom uit een Joodse familie die er na de oorlog nauwelijks meer was. Ik ben opgevoed met het idee: je kunt wel denken dat het goed afloopt, maar dat dachten we in 1938 ook.”

Klöpping: „Je hebt nooit het idee van het komt wel goed?”

Van Weezel: „Nee, ik moet vechten tegen het idee dat dingen altijd slecht aflopen. Ach, de Holocaust is geen lekkere binnenkomer.”

Klöpping lacht, maar kijkt ernstig.

Van Weezel: „Ik heb brieven van mijn moeder van vlak voor de oorlog, zij was van de wantrouwende kant. Haar broer, mijn oom Hans, was optimistischer. Mijn moeder dook onder, oom Hans niet. Hij is er niet meer. En mijn tante Roosje dook onder, maar werd door haar buren verraden. Zij is er ook niet meer. Mijn jeugd stond altijd in de schaduw van de oorlog. Jij speelt best leuk piano, maar níét zo leuk als tante Roosje, zo ging het.”

Klöpping: „Doe je dat ook bij je dochter?”

Van Weezel: „Ja, zij zegt van wel. Wij dachten van niet. Mijn dochter heeft wel diezelfde opgefoktheid. Word ik wel gezien? Is het morgen niet afgelopen?”

Klöpping denkt. „Als iemand iets negatiefs schrijft over Blendle, dan word ik wel heel fel. Dat heb ik nog nooit eerder gehad. Mensen moeten gewoon met hun poten van mijn bedrijf afblijven.” Tegen Van Weezel: „Vind jij dat zwaar, als mensen negatief over je schrijven?”

Van Weezel: „Vreselijk, een klap in je gezicht.”

Klöpping: „Ga jij daar dan achteraan?”

Van Weezel: „Nee.”

Klöpping: „Nou, ik wel. En dat werkt goed! Als je maar boos genoeg wordt op een journalist...”

Van Weezel kijkt wat afkeurend. Misschien bestaat Alexanders relaxtheid bij gratie van voortdurende voorspoed, opperen we.

Klöpping: „Ja, dat zou wel kunnen. Ik heb nog nooit echte shit meegemaakt.”

Van Weezel: „Jij bent 28 toch, net als mijn dochter? Dan zit je nog in een leeftijd dat je weet dat als er dingen misgaan, het tij nog kan keren. Maar op een gegeven moment kun je niet meer terug.”

Van Weezel vat zijn eigen leven samen: een redelijk toonaangevend gezicht van Vrij Nederland, presenteert het Oog op Morgen en Argos, was voorzitter van Nieuwspoort. „Als het over iemand anders zou gaan, dan zou ik zeggen: die is redelijk geslaagd in het leven. Maar het lukt me niet om zo over mezelf te denken.”

We komen op Klöppings jeugd in Oss. Klöpping kijkt steeds moeilijker. „Alles was goed in Oss, mijn vrienden waren aardig, op school ging het goed, ik had een webshop waarop ik radiografisch bestuurbare helikopters verkocht. Misschien had ik beter mijn best moeten doen op >> >> keyboardles en misschien had ik meer vrienden moeten maken. Maar…” Hij zucht. „Ik vind het helemaal niet léúk om persoonlijke dingen te vertellen. Max, jij praat daar zo vrij over...”

Van Weezel: „Ik ben daar twee jaar geleden mee begonnen. Het is toch jammer dat als je overlijdt, je alleen wordt herinnerd als iemand die veel van Diederik Samsom wist. Ik kreeg het daar benauwd van. Ik ben ook eens iets geks gaan doen, op reportage naar het Songfestival.”

Klöpping: „Ja! Dat stuk deed het goed op Blendle.”

Wat is nieuws en wat niet? Van Weezel en Klöpping raken er niet over uitgediscussieerd. Heel vaak zijn ze het oneens. Aan het einde van de avond vinden ze elkaar opeens weer.

Klöpping: „Ik verzamelde vroeger alles wat met tv-decors, tunes en jingles te maken had.”

Van Weezel: „Ik ook! Jingles.”

Klöpping: „Heb jij via de NPO toegang tot die shit?”

Van Weezel: „Nee, je hebt het Genootschap...”

Klöpping: „…voor Radiosingles en Tunes! Daar kocht ik...”

Van Weezel: „...jingles van de Ferry Maat Soulshow! En alle vijftien versies van Langs de Lijn. Die had die oude Quincy Jones-opname. Tada-tada-tada-tada.

Klöpping doet de BBC-tune na: „Toenketoenketoenke piep piep piep. Kippenvel!”

Teambuilding

De volgende ochtend ontbijten we op het terras. De zon schijnt. Op het grasveld doet een stel Britten, met helmpjes op en blinddoeken voor, een teambuildingsactiviteit.

Hoe kijken ze terug op het gesprek van gisteravond? Van Weezel had het meer over de toestand van de wereld en de nabije toekomst willen hebben, zegt hij. Vindt Klöpping dat ook?

Klöpping: „Nee.”

Wat vindt Van Weezel daarvan? Gisteren bewonderde hij nog de zorgeloosheid van Klöpping. Vanochtend is hij opeens scherper: „Ik denk: gast, wake up.”

Klöpping, op z’n hoede: „Waar moet ik wakker over worden?”

Van Weezel: „Het is ontzettend fijn om met Blendle door te breken in Hongarije enzo, maar ik zit echt boeken over het begin van de Eerste en Tweede Wereldoorlog te lezen, of er parallellen zijn.”

Klöpping: „Ja, ik zit met een enorme koker naar de wereld te kijken, maar ik kan er toch niet veel invloed op uitoefenen.”

Van Weezel: „Ik denk dat er wat ergs gaat gebeuren.”

Klöpping: „Wat dan?”

Van Weezel: „Nou, een kettingreactie, net als voor de Wereldoorlogen. Alle leiders zeggen: we komen er wel uit, maar dat is niet zo. Met de vluchtelingen niet, met de Grieken niet. En als Griekenland uit de EU wordt gezet, is het niet meer als NAVO-lid te handhaven en als Griekenland dan Cyprus bezet en Turkije gaat...”

Klöpping: „Ik wil best een analyse van de Wall Street Journal lezen, het is niet dat het me niet interesseert. Maar als je het nieuws dagelijks volgt, voelt het bijna als een vorm van vermaak.”

Klöpping maakt zich wel zorgen over waar technologie politiek raakt. Over de bevoegdheden van inlichtingendiensten, het afbreken van burgerrechten. „Daar word ik fel van. Het voelt alsof ik dáár iets aan kan doen. En aan de toestand in Griekenland niet, daar word ik totaal nihilistisch van. Laat mij maar horen hoe het is afgelopen.”

Van Weezel haalt hoorbaar zijn neus op. „Bel me over vier jaar maar als er weer vrede is.”

Klöpping sputtert tegen: „Ja, maar het is ook jouw werk.”

Van Weezel: „Het is helemáál niet mijn werk, ik wil het als eerste ontcijferen. Maar je hebt gelijk, het is totale onzin.”

Klöpping: „Mijn ouders rijden altijd drie uur voor vertrek naar het vliegveld, omdat ze bang zijn de vlucht te missen. Ik niet. Ik wil er pas twaalf minuten van tevoren zijn. En tien minuten voor Europese vluchten. Mijn vader hamstert eten op zolder. Smac, en bonen in tomatensaus. En als er ergens SARS is, heeft hij de medicijnen al gefixt. Ik wil die maatregelen niet nemen. Ik laat het liefst de deuren open en de fietsen van het slot. Dat is een keuze. Ik erger me aan die voorzichtigheid.”

Van Weezel: „Ja, wij hamsteren alleen Italiaanse wijnen.”

Klöpping: „Mijn grondhouding is anders. Ik kan me wel voorstellen dat het anders wordt als je een kind krijgt. Dat krijgt vanaf dag één een record. Met wie het communiceert, met wie het ruzie maakt, waarop het getest wordt. Dat komt dan ergens in een database in Nevada. Daar maak ik me wel zorgen over, daar kan ik iets aan doen.”

Van Weezel: „Ik wil juist voelen hoe het met de wereld staat. IS komt dichterbij en ik voel me daardoor persoonlijk bedreigd. Ik fiets ook weleens door Slotervaart of Osdorp om te kijken hoe erg het is.”

Klöpping, verbaasd: „Wát?! Waar kijk je dan naar? Of er IS-vlaggen hangen?”

Van Weezel: „Of de baarden langer worden. Of er nog vrouwen met make-up rondlopen.”

Klöpping, vol ongeloof: „En ben je dan gerustgesteld?”

Van Weezel: „Meestal half gerustgesteld. Een boerka, maar mét iPhone 6.”

Klöpping: „Je fietst echt naar Osdorp? Even dacht ik: shit, ik moet me écht meer met de wereld en het nieuws gaan bemoeien. Maar als ik dit hoor denk ik”, hij wappert met zijn handen, „ shut it down. Láát maar”.

Stilte. Nog meer koffie.

Klöpping: „Maar hey, Max, zeg je dit nou om mij een beetje te fokken, van dat fietsen?”

Van Weezel schudt zijn hoofd. „Nee, ik maak me écht zorgen.” <<